Signaleren in het voortgezet onderwijs

Waarom is signalering in het vo nog nodig?

Het grootste gedeelte van de leerlingen met dyslexie wordt gesignaleerd in het basisonderwijs. Er zijn verschillende redenen waarom er toch leerlingen zijn die pas in het voortgezet onderwijs (vo) gaan opvallen en worden gesignaleerd:

  • Cognitieve capaciteiten: bij een leerling met wat zwakke cognitieve capaciteiten wordt er soms eerder gedacht aan een algemeen leerprobleem, dan aan dyslexie. Leerlingen met sterke cognitieve capaciteiten kunnen vaak hun problemen compenseren, waardoor zij hun problemen kunnen verbloemen.
  • Anderstaligen: bij leerlingen met een anderstalige achtergrond is het lastig om te bepalen of de problemen met lezen en spellen komen door de anderstaligheid of door dyslexie.
  • De mate van ondersteuning op de basisschool: sommige leerlingen kunnen door de extra ondersteuning die op de basisschool wordt gegeven goed mee komen met de klas. Bij de overgang naar het vo valt de ondersteuning weg en lukt het de leerling niet meer om bijvoorbeeld het tempo en de hoeveelheid tekst bij te houden.
  • Comorbiditeit: de vergoedingsregeling die geldt voor leerlingen op de basisschool om voor zorg in aanmerking te komen, sluit leerlingen waarbij sprake is van comorbiditeit uit, omdat dit een onderzoek en/of behandeling van dyslexie belemmert. Er spelen dan andere problemen mee op de voorgrond (bijvoorbeeld concentratieproblemen), die eerst behandeld moeten worden.

Meer over de verschillende redenen waarom leerlingen met dyslexie worden gesignaleerd in het vo, is terug te vinden in paragraaf 4.1 van het Protocol Dyslexie Voortgezet Onderwijs.

Signalering in het vo

Om de juiste ondersteuning te kunnen bieden is het belangrijk dat ook in het voortgezet onderwijs docenten, mentoren en de zorgspecialist van de school alert zijn op leerlingen met lees- en spellingproblemen. Uitgebreidere informatie hierover is te vinden in hoofdstuk 4 van het Protocol Dyslexie Voortgezet Onderwijs.

Er zijn verschillende manieren waarop het voortgezet onderwijs leerlingen met (ernstige) lees- en spellingproblemen kan signaleren. Directies kunnen hier hun eigen keuzes in maken. Signalering kan op de volgende (combinatie van) manieren plaatsvinden:

  • op basis van informatie uit het basisonderwijs;
  • op basis van informatie van ouders;
  • door observaties van docenten;
  • door afname van signaleringstoetsen in de brugklas.

Informatie uit het basisonderwijs en van ouders

Het onderwijskundig- of schoolverlatersrapport dat het basisonderwijs een leerling meegeeft naar het voortgezet onderwijs, kan signalen bevatten dat een leerling problemen heeft met lezen en/of spellen. Dit kan ook in de overdracht naar voren komen. Hetzelfde geldt voor het formulier waarmee ouders hun kind aanmelden voor een school. Wanneer uit die informatie blijkt dat er signalen zijn van ernstige lees- en/of spellingproblemen, is het verstandig dat de zorgspecialisten van de school uitzoeken wat die problemen precies inhouden, hoe lang ze al bestaan, hoe ernstig ze zijn, welke hulp de leerling al heeft gehad en wat de resultaten daarvan waren. Zo’n uitgebreide overdracht heeft als voordeel dat signalering via toetsen achterwege kan blijven.

Observaties van docenten

Docenten zien natuurlijk veel schrijfproducten van hun leerlingen voorbij komen en krijgen daarmee een beeld van het spellingniveau van een leerling. Het hardop lezen tijdens de les geeft informatie over het leesniveau. Voor leerlingen die hierbij opvallen, kan de Signalenlijst lees- en spellingproblemen ingevuld worden, door één of meerdere docenten. Deze kan zowel in de brugklas als in hogere klassen gebruikt worden. Deze manier van signalering heeft als groot voordeel dat er niet alleen informatie over de lees- en spellingproblemen boven tafel komt, maar ook de belemmeringen die een leerling in de lessen ondervindt, worden in kaart gebracht.

Signaleringstoetsen in de brugklas

Signalering in de brugklas kan gebeuren door aan het begin van het schooljaar een signaleringstoets af te nemen. Dit kan bijvoorbeeld met het Signaleringsinstrument Protocol Voortgezet Onderwijs. Dit instrument bevat een zinnendictee en een stilleestoets.

In het dyslexiebeleid van de school wordt vastgelegd wie deze toetsen afneemt, welke resultaten aanleiding geven voor verder onderzoek en hoe deze procedure verder verloopt. Een school kan dit zelf bepalen. Er wordt aangeraden om verder onderzoek te doen bij de 10% laagst scorende leerlingen en de 25% procent laagst scorende leerlingen in de gaten te houden. Belangrijk blijft wel om te beseffen dat deze toets een momentopname is en slechts een signaal afgeeft.

Onderzoek na signalering

Wanneer lees- en/of spellingproblemen gesignaleerd zijn en een leerling behoort tot de laagste 10% scorende leerlingen, weten docenten en zorgspecialisten dat er iets aan de hand is, maar nog niet wat. Op basis van een signalering kan geen diagnose worden gesteld, maar het levert wel een hulpvraag op. De zorgspecialist kan dan een verdiepend onderzoek doen. In het boek Toetsen en Interventies bij Dyslexie in het vo (2018) wordt een overzicht gegeven van beschikbare verdiepende toetsen voor technisch lezen en spellen (ook voor de vreemde talen). Wanneer een leerling ook op deze toetsen laag scoort, kan er een dossier worden aangemaakt, waarin de zorgspecialist de grootte van de achterstand en de mate van de hardnekkigheid van de problemen beschrijft.