Signaleren in het voortgezet onderwijs

Dyslexie wordt in de meeste gevallen vastgesteld in het basisonderwijs. Toch zien we dat het nog wel eens voorkomt dat de diagnose pas wordt gesteld wanneer een leerling in het voortgezet onderwijs zit (zie paragraaf 4.1 van het Protocol Dyslexie Voortgezet Onderwijs voor meer informatie). Op verschillende scholen voor voortgezet onderwijs wordt daarom een signaleringsonderzoek gedaan naar lees- en spellingproblemen en dyslexie. Er zijn ook andere mogelijkheden om hier zicht op te krijgen. Dit kan allereerst door een goede overdracht rondom lees- en spellingproblemen en daarnaast met informatie uit observaties van docenten en toetsresultaten. Deze mogelijkheden worden in dit artikel toegelicht.

Overdracht po-vo

Om als school zicht  te krijgen op de lees- en spellingvaardigheden van leerlingen en mogelijk dyslexie is het belangrijk om bij de overdracht po-vo naast informatie over de leerprestaties ook gericht informatie op te vragen over zwakke lezers en spellers. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van het Overdrachtsformulier po-vo bij leerlingen met dyslexie en zwakke lezers/spellers. In het artikel Weten | Overgang naar het vo | Overdracht wordt toegelicht hoe de overdracht kan worden aangepakt en welke informatie bij de basisschool en ouders kan worden opgevraagd. Zo’n uitgebreide overdracht heeft als voordeel dat signalering via toetsen achterwege kan blijven.

Observaties docenten

Docenten zien natuurlijk veel schrijfproducten van hun leerlingen voorbij komen en krijgen daarmee een beeld van het spellingniveau van een leerling. Het hardop lezen tijdens de les geeft informatie over het leesniveau. Observaties van docenten bieden dan ook veel relevante informatie over de ontwikkeling van een leerling. Deze signalenlijst uit het Protocol Dyslexie Voortgezet Onderwijs kan hierbij worden ingezet. Deze kan zowel in de brugklas als in hogere klassen gebruikt worden. Deze manier van signalering heeft als groot voordeel dat er niet alleen informatie over de lees- en spellingproblemen boven tafel komt, maar ook de belemmeringen die een leerling in de lessen ondervindt in kaart worden gebracht.

LVS-toetsen

Scholen zijn verplicht om de ontwikkeling van hun leerlingen te volgen. Vo-scholen zelf bepalen de wijze waarop ze dit doen. Veel vo-scholen maken gebruik van een leerlingvolgsysteem zoals Diataal, Jij! of Cito. Deze LVS-toetsen geven informatie over de brede ontwikkeling van de leerling, maar besteden niet altijd gericht aandacht aan de technische leesvaardigheid en spellingvaardigheid terwijl dit vaardigheden zijn waar leerlingen met dyslexie juist veel moeite mee hebben. Hieronder wordt van een aantal veelgebruikte leerlingvolgsystemen voor het vo aangegeven welke informatie zij opleveren voor zicht op lees- en spellingproblemen:

Cito LVS

De toetsen van het Cito Volgsysteem VO zijn niet speciaal gemaakt om problemen met technisch lezen en spellen op te sporen, maar de rapportages geven wel aanknopingspunten voor een vermoeden van dyslexie. Bijvoorbeeld als leerlingen uitvallen op leesvaardigheid Nederlands en Engels, terwijl er op de overige vaardigheden naar verwachting wordt gepresteerd. Cito zal naar verwachting ook nog een extra module taalverzorging uitbrengen, deze geeft natuurlijk nog wat meer inzicht.

Diatoetsen (Diataal)

Diatekst is een toets voor begrijpend lezen. Bij een lage score op begrijpend lezen is het mogelijk dat er problemen zijn bij het technisch lezen en kan het zinvol zijn om aanvullend onderzoek te doen. 

Met Diaspel kunnen spellingproblemen gesignaleerd worden. De toetsen zijn niet ontwikkeld met het doel om dyslexie of lees- en spellingproblemen aan te duiden, maar kunnen wel ingezet worden voor de signalering.

Jij! (Bureau ICE)

De toetsen in JIJ! meten methode-onafhankelijk referentieniveaus en doen daar een uitspraak over. De toetsen Taalverzorging doen een uitspraak over spelling en grammatica waarin aan de hand van de aspecten vanuit het referentiekader het niveau van Taalverzorging wordt gegeven. Daarnaast doen de toetsen Leesvaardigheid ook weer aan de hand van de aspecten vanuit het referentiekader een uitspraak over het niveau van leesvaardigheid. Dus scholen kunnen aan de hand van deze toetsen vaststellen welk niveau de leerling heeft voor lezen en spelling en op welke onderdelen daarbinnen goed of minder goed worden gescoord. Er kan geen uitspraak over eventuele lees- en spellingproblematiek worden gedaan.

Signaleringstoetsen

Als in de overdracht deze informatie niet beschikbaar is, en er wel aanleiding is om beter zicht te krijgen op mogelijke leesproblemen of dyslexie, kan gebruik worden gemaakt van voor het vo beschikbare genormeerde toetsen (zie Toetsen en Interventies bij Dyslexie in het vo). Een aanleiding voor afnemen van een signaleringstoets is bijvoorbeeld: observaties van docenten, een vermoeden van dyslexie vanuit het po, LVS-resultaten, signalen van ouders en leerling zelf. Kies bij voorkeur een signaleringstoets (klassikaal af te nemen) met een zo recent mogelijk normering die past bij de leeftijd van de leerlingen die je wilt toetsen.  

In de praktijk wordt veel gebruik gemaakt van  het Signaleringsinstrument Dyslexie Voortgezet Onderwijs (2005). Hoewel de normering van het signaleringsinstrument ouder is dan 15 jaar, is het instrument in principe nog wel bruikbaar in de praktijk. Met dit signaleringsinstrument kun je in kaart brengen welke leerlingen mogelijk problemen hebben met  het technisch lezen en spellen. Let wel, het is geen diagnostisch instrument waarmee je kunt vaststellen of er ook sprake is van dyslexie. Daarvoor is nader onderzoek nodig. Indien er een gestandaardiseerde toets is met een recentere normering raden wij uiteraard aan om deze in te zetten voor de signalering van problemen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de Muiswerk Testsuite 1 Nederlands & Dyslexie, subtaak flitstesten voor technisch lezen en voor spelling het Drempelonderzoek, onderdeel taalverzorging (begin brugklas) of de IDAA 15+ Flitstypen Woorden en Flitstypen Pseudowoorden (15 jaar en ouder).

Verdiepend onderzoek

Als uit de informatie van de overdracht, observaties van docenten of signaleringstoetsen signalen komen van lees- en/of spellingproblemen dan kan gebruik worden gemaakt van toetsen voor een individueel verdiepend onderzoek waarvan een overzicht in het boek Toetsen en Interventies bij Dyslexie in het vo staat. Daarnaast kan ook een kwalitatieve analyse worden gedaan, afhankelijk van waar de leerling tegenaan loopt bij Engels, Frans, Duits op basis van een stukje lezen en een stukje schrijven van zowel leenwoorden als woorden uit het Engels, Frans en/of Duits door de mogelijk dyslectische leerling. Daarbij kan dan ook gekeken worden naar de eventuele verschillen tussen de talen en het type fouten.

Ondersteuning van leerlingen met lees-, spellingproblemen en dyslexie

Op basis van al deze informatie en een gesprek met de leerling (leerlingen kunnen hier heel goed zelf in meedenken) kan de ondersteuning op de behoeftes van de leerling worden afgestemd. De extra ondersteuning kan tijdens de reguliere lessen en keuzewerktijd of hulp-/steunlessen worden geboden op ondersteuningsniveau 2 en individueel of in kleine groepjes worden aangeboden op ondersteuningsniveau 3. Wanneer blijkt dat relatief veel leerlingen moeite hebben met technisch lezen en spellen dan is aan te raden om te kijken hoe binnen de reguliere lessen en/of keuzewerktijd of hulp-/steunlessen extra ondersteuning geboden kan worden aan alle leerlingen. Daarnaast is psycho-educatie en het zelfstandig leren omgaan met leesproblemen en dyslexie een belangrijk onderdeel van de ondersteuning. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van een specifiek programma zoals Dyslexie de Baas of DyslexieSleutels. Lees meer over de invulling van deze ondersteuning in de artikelen bij Weten | Ondersteuning van leerlingen met dyslexie en in het boek Toetsen en Interventies bij Dyslexie in het vo.