FAQ | Begeleiding bij lees- en spellingproblemen

Basisonderwijs

1. Hoe ziet in het basisonderwijs een effectieve interventie op ondersteuningsniveau 3 eruit?

In de Protocollen Leesproblemen en Dyslexie en in de Handreiking voor invulling van ondersteuningsniveaus 2 en 3 bij een vermoeden van Ernstige Enkelvoudige Dyslexie (EED), staat beschreven aan welke eisen ondersteuning op ondersteuningsniveau 2 (extra begeleiding in de klas) en ondersteuningsniveau 3 (specifieke lees- en spellinginterventies) moet voldoen.

Professionals in het onderwijs (zoals ib’ers, rt’ers) kunnen zelf op basis van deze informatie verantwoord en beredeneerd keuzes maken voor de inzet van bestaande of nieuwe materialen in het onderwijs. Inmiddels zijn ook een keuzehulp materialen en checklist kwaliteitsaanpak verschenen die handvatten bieden om bestaande en nieuwe interventiematerialen en -aanpakken kritisch tegen het licht te houden en het handelen van de professional verder te verbeteren. 

Zie verder ook de andere materialen en instrumenten die zijn verschenen onder de noemer 'Effectief aan de slag op ondersteuningsniveau 3', te vinden bij de doelgroeppagina Basisonderwijs - Ondersteuningsniveaus. 

Lees meer

 

Naar boven

 

2. Welk remediërend spellingprogramma raden jullie aan voor het basisonderwijs?

In de Protocollen Leesproblemen en Dyslexie en in de Handreiking voor de invulling van ondersteuningsniveau 2 en 3 wordt een overzicht van kenmerken van een effectieve aanpak bij lees- en spellingproblemen gegeven. Deze effectieve kenmerken helpen enerzijds om beredeneerde keuzes te maken om gerichte ondersteuning te bieden. Anderzijds om kritisch te kijken naar de uitgevoerde ondersteuning. In beide documenten worden suggesties gegeven van lees- en spellingmethoden die bij een specifieke lees- en spellinginterventie (ondersteuningsniveau 3) kunnen worden ingezet. De lijst is niet uitputtend. En uiteindelijk is een programma niet zaligmakend: het is de onderwijsprofessional die ermee aan de slag gaat die uiteindelijk bepaalt hoe effectief de interventie is.

Inmiddels zijn ook een keuzehulp materialen en checklist kwaliteitsaanpak verschenen die handvatten bieden om bestaande en nieuwe interventiematerialen en -aanpakken kritisch tegen het licht te houden en het handelen van de professional verder te verbeteren. 

Zie verder ook de andere materialen en instrumenten die zijn verschenen onder de noemer 'Effectief aan de slag op ondersteuningsniveau 3', te vinden bij de doelgroeppagina Basisonderwijs - Ondersteuningsniveaus. 

Lees meer

 

Naar boven

 

3. Is Bouw! een effectief programma om leerlingen met leesproblemen in het basisonderwijs op ondersteuningsniveau 3 te ondersteunen?

Ja, mits het op de juiste wijze wordt ingezet en het volledige programma wordt afgemaakt.

Bouw! is een computergestuurd interventieprogramma dat is ontwikkeld om leerlingen die een risico lopen op problemen met lezen en spellen preventief en vervolgens remediërend hulp te bieden in groep 2 tot en met 4. Letters in woorden en woorden met een oplopende moeilijkheidsgraad worden aangeboden, zowel visueel als auditief. Het programma is adaptief, de lesinhoud wordt afgestemd op het niveau van de leerling. De leerling werkt individueel met Bouw! Daarbij wordt de leerling ondersteund door een tutor (onderwijsassistent, ouder, oudere leerling) onder supervisie van de leerkracht of intern begeleider. De tutor hoeft zelf geen professionele achtergrond te hebben: de inhoudelijke kennis die nodig is om te leren lezen is in het programma opgenomen.

Het programma is  ontwikkeld door de Universiteit van Amsterdam en wetenschappelijk onderzocht i.s.m. Expertisecentrum Het ABC. Hiervoor zijn twee studies uitgevoerd: één studie waarbij er begin groep 3 is gestart met het werken met Bouw! en één studie waarbij halverwege groep 2 met Bouw! is begonnen. Deze onderzoeken maken duidelijk dat Bouw! een effectieve aanpak is voor kinderen die moeite hebben met lezen. Het volledig doorwerken van het programma Bouw! is voor de effectiviteit echter wel essentieel! Het gaat om een periode van anderhalf tot twee jaar waarbij de kinderen gemiddeld twee tot drie keer per week, 10 tot 15 minuten per keer, thuis of op school oefenen. Een vergelijking tussen de twee onderzoeken laat zien dat het nog effectiever is om halverwege groep 2 te starten, dan pas in groep 3 te beginnen.

Bouw! is een gestandaardiseerd programma dat vroegtijdig en langdurig kan worden ingezet op ondersteuningsniveau 3. Er worden (deel)toetsen afgenomen waarmee nagegaan kan worden wat een leerling beheerst. We adviseren om deze tussentoetsen onder supervisie van de leerkracht of de intern begeleider te laten afnemen: zij blijven immers verantwoordelijk voor de beginnende leesontwikkeling van de leerlingen in de klas. Als een leerling ondanks intensief werken met Bouw! geen of nauwelijks vooruitgang laat zien bij tussentijdse observaties en hoofdmetingen, is het op basis van de digitaal opgeslagen gegevens aantoonbaar dat de school heeft voldaan aan zijn zorgplicht op ondersteuningsniveau 3 en kan de leerling worden aangemeld voor de vergoedingsregeling dyslexie.

Lees meer

 

Naar boven

 

4. Zijn kleutertaken verplicht om af te nemen? Bij welke kleuters doe je dit? En, wat kun je met de resultaten?

Nee, toetsen bij kleuters is niet verplicht. Vanaf 1 augustus 2022 gaan de toetsen voor kleuters zelfs uit het LVS. Wel schrijft de inspectie voor dat de brede ontwikkeling van alle kleuters wordt gevolgd middels een gestandaardiseerd observatie-instrument.

Een school kan er daarnaast nog steeds voor kiezen om in de kleuterperiode een relevante kleutertaak af te nemen. Een leerkracht kiest voor afname van een kleutertaak  wanneer hij/zij onvoldoende zicht heeft op de ontwikkeling van een leerling op basis van de observatiegegevens en waarbij de resultaten  handvatten kunnen geven voor het vormgeven van een passend onderwijsaanbod.

Bij kleutertaken is de normering minder hard dan bij genormeerde toetsen. Dat betekent dat je minder harde uitspraken kunt doen over de resultaten. De resultaten op de kleutertaken geven natuurlijk wel inzicht met welke onderdelen een kleuter nog moeite heeft. Die informatie kun je gebruiken om je onderwijsaanbod vorm te geven.

Bij alle kleuters kan in januari de taak Letters benoemen worden afgenomen. Het voordeel van deze taak is dat deze de actieve letterkennis meet en niet de passieve letterkennis, die bij veel andere toetsen wordt gemeten. De taak kleuren benoemen kun je afnemen als de kleuter nog weinig letters kent. Samen geven de taken letters en kleuren benoemen veel informatie over de benoemsnelheid en actieve letterkennis van een kleuter, wat belangrijke voorspellers zijn voor het leren lezen. Ook voor de overige kleutertaken in het Protocol Preventie van Leesproblemen groep 1 en 2 geldt dat deze in januari en in juni afgenomen kunnen worden. De afname in juni is met name bedoeld voor de kleuters die in januari een achterstand lieten zien. Op de scoreformulieren is te vinden welke score wijst op een achterstand.

Lees meer

 

Naar boven

 

5. Wie kan het beste de begeleiding op ondersteuningsniveau 2 en 3 geven?

Dat is afhankelijk van het gekozen interventieprogramma.

Voor de effectiviteit van de ondersteuning is niet alleen de kwaliteit van het interventieprogramma zelf van belang, maar ook de kwaliteit van de uitvoering. Voor begeleiding op ondersteuningsniveau 2 geldt dat dit wordt geboden door een leerkracht. In lijn met de uitgangspunten voor intensieve begeleiding op ondersteuningsniveau 3 (p. 14) adviseren wij dat de begeleiding op ondersteuningsniveau 3  wordt uitgevoerd door of onder leiding van de lees- of taalspecialist, rt’er, ib’er of een orthopedagoog/psycholoog gespecialiseerd in leerproblemen.

Als het interventieprogramma zeer gestructureerd is opgezet en voorziet in een uitgebreide uitwerking van effectieve kenmerken (zoals effectieve instructie, feedback, etc.) zou in plaats van een leerkracht ook een onderwijsassistent of - indien in de handleiding van het programma vermeld – een tutor (bijvoorbeeld een oudere leerling of een ouder) de ondersteuning op zich kunnen nemen. De gevraagde expertise wordt idealiter aangegeven in de handleiding van het programma. Ondersteuning door een leerkracht, onderwijsassistent of tutor dient te gebeuren onder supervisie van een remedial teacher, intern begeleider of leesspecialist. Gebruik de Checklist kwaliteitsaanpak als handreiking om de kwaliteit van de uitvoering te waarborgen.

Lees meer

 

Naar boven

 

6. Welke ondersteuning kunnen ouders geven bij technisch lezen en spellen?

Ouders kunnen veel doen om de lees- en spellingontwikkeling van hun kind te stimuleren als het op een ontspannen, leuke manier gebeurt. Het gaat er daarbij niet alleen om wat ouders doen, maar vooral om de manier waarop.

De school is verantwoordelijk voor de kwaliteit van de lees- en spellingbegeleiding. Ouders kunnen hier een ondersteunende rol in spelen. Dit geldt ook voor de begeleiding op ondersteuningsniveau 2 en 3 (zie ook de FAQ Wie kan het beste de begeleiding op ondersteuningsniveau 2 en 3 geven?). Het is dus niet de bedoeling dat ouders thuis de rol van de professional overnemen. De ondersteuning die ouders kunnen bieden is er vooral op gericht om met hun kind op een speelse manier extra te oefenen waarbij hun kind succeservaringen opdoet. Bijvoorbeeld samen boeken lezen en woordspelletjes zoals Galgje en Scrabble. Leg ouders uit en laat zien hoe ze hun kind het beste kunnen ondersteunen, bijvoorbeeld bij het samen lezen.

Meer weten over wat ouders kunnen doen? Ga naar Ouders | Hoe kan ik het lezen en spellen oefenen met mijn kind?

Naar boven

 

7. We hebben een leerling met ernstige uitval op zowel lezen als spellen, moeten we dan twee keer 60 minuten per week ondersteuning op ON3 bieden om te kunnen doorverwijzen naar ON4?

Nee. Voor doorverwijzing naar ON4 / specialistische dyslexiezorg moet school het vermoeden van dyslexie onderbouwen door de ernst en hardnekkigheid van de problemen in het onderwijs aan te tonen. Om dat te kunnen doen is op ON3 een uitbreiding van de ‘lees- en spellingtijd’ van totaal minimaal 60 minuten nodig. Het gaat dan om individueel gerichte intensieve ondersteuning, dit is soms beschreven als ‘leestijd’ maar dit moet opgevat worden als ‘leertijd’ of ‘instructietijd’. Als de leerling naast ernstige leesproblemen ook ernstige spellingproblemen heeft, moet binnen deze extra tijd zowel aandacht aan lezen als aan spellen besteed worden. Dat kan omdat lezen en spellen vaak al nauw verbonden zijn en lezen en spellen meestal al geïntegreerd aan de orde komen in de interventie. Bovendien is in totaal 120 minuten per week extra tijd in de praktijk zowel voor de school als voor de leerling niet te realiseren of vol te houden. Maar dat is dus ook niet nodig. 

Afhankelijk van waar de grootste problemen liggen en in welke fase van de ontwikkeling van het technisch lezen en spellen de leerling zit, legt de onderwijsprofessional naar eigen inzicht andere accenten. Bij lage functioneringsniveaus zijn lezen en spellen volledig geïntegreerd. Liggen de problemen op een hoger niveau (functioneringsniveau vanaf M4) vooral bij lezen, dan kun je  spelling  'meenemen' voor zover dit ook problemen geeft. Is vooral sprake van spellingproblemen en is er minder uitval op lezen? Dan ligt de nadruk van de interventie op ON3 weliswaar op spellen, maar wordt lezen ook meegenomen. 

Als er spellingproblemen zijn naast de leesproblemen, dan moet zowel over de interventie als over de scores voor spelling ook altijd gerapporteerd worden in het leerlingdossier voor de aanmelding voor verder onderzoek, zowel in het kader van de vergoedingsregeling bij Ernstige Dyslexie (ED-regeling) als van de Brede Vakinhoudelijke Richtlijn Dyslexie (BVRD). Bij het dyslexieonderzoek en de eventuele behandeling zullen vervolgens zowel de leesproblemen als de spellingproblemen verder onderzocht en aangepakt worden.

Lees meer

Naar boven

 

Voortgezet onderwijs

1. Is een remediërend traject in het VO verplicht bij een vermoeden van dyslexie voor het aantonen van didactische resistentie en aan welke eisen moet zo’n traject dan voldoen?

Kort antwoord

Nee, een remediërend traject in het voortgezet onderwijs is in tegenstelling tot het traject onder de Jeugdwet in het po niet verplicht voor het vaststellen van de diagnose dyslexie bij vo-leerlingen. De orthopedagoog of psycholoog die het onderzoek naar dyslexie uitvoert, moet wel een uitspraak doen over de hardnekkigheid. Hij/zij heeft hiervoor informatie nodig over de extra ondersteuning en remediëring die in het onderwijs is aangeboden.

Toelichting

Wanneer er op basis van de signalering in het voortgezet onderwijs een vermoeden is van dyslexie bij een leerling, dan kan deze leerling worden aangemeld voor een dyslexieonderzoek. Om de hardnekkigheid van de lees- en/of spellingproblemen aan te kunnen tonen, moet het voor de diagnosticus duidelijk  zijn dat de problemen al langere tijd aanwezig zijn en niet weg zijn gegaan ondanks extra ondersteuning in het onderwijs. Informatie hierover moet aangeleverd worden van uit het onderwijs. De lees- en spellingspecialisten in het voortgezet onderwijs zullen dus in kaart moeten brengen welke hulp tot zover geboden is, op de middelbare school maar ook al in het basisonderwijs (als deze informatie is meegeleverd bij de po-vo overdracht).  Het is ook relevant om als school informatie aan te leveren over de aard en de mate van de problemen op dit moment en of de lees- en/of spellingproblemen zich bij meerdere vakken (op verschillende manieren) manifesteren. Doen deze problemen zich bijvoorbeeld bij meerdere talen voor, dan is dat een signaal dat de klachten mogelijk ernstig en hardnekkig zijn. Op deze manier krijgt de diagnosticus een beter beeld van de lees- en/of spellingproblemen van de leerling.

Als de hardnekkigheid niet voldoende kan worden vastgesteld op basis van de leergeschiedenis en andere onderzoeksgegevens, dan kan (moet) de diagnosticus dit zelf verder gaan onderzoeken door middel van remediëring/proefbehandeling.  Deze remediëring/proefbehandeling kan op de volgende manieren worden aangepakt:

  • In samenwerking met het onderwijs, met inzet van een periode extra intensieve begeleiding op school en monitoring op de vorderingen, als dat mogelijk is.

    • Dit kan bijvoorbeeld worden gedaan door een remedial teacher of zorgspecialist van de school. In het boek Toetsen en interventies bij dyslexie in het vo staat een overzicht van verschillende begeleidings- en interventieprogramma’s die ingezet kunnen worden. Er zijn geen verplichte eisen voor dit traject. Een aantal handvatten:

      • Het moet gaan om een periode van 15 tot 20 weken (waarbij er naast de begeleiding ook zelf wordt geoefend). De duur is afhankelijk van de leerling, waar de focus vooral moet liggen op de wekelijkse herhaling (m.a.w. er zit voldoende regelmaat in de begeleiding).

      • Aangezien leerlingen sterk kunnen verschillen in de problemen die zij het meest ervaren, is het belangrijk om de interventie goed af te stemmen op de leerling.

      • Er worden doelen opgesteld in een begeleidingsplan, zodat de effectiviteit van de begeleiding geëvalueerd kan worden.

  • Door de zorgspecialist zelf, in de vorm van een aantal (proef)behandelsessies met monitoring op de vorderingen. Duur en intensiteit hiervan worden ingericht door de zorgspecialist zelf, en onderbouwd op basis van zijn/haar professionele expertise.  

Mocht er na een traject niet of nauwelijks vooruitgang zijn, en worden de gestelde doelen niet behaald, dan is de didactische resistentie aangetoond en kan hardnekkigheid vastgesteld worden. Is er vrij snel een zeer groot effect te zien van de intensieve begeleiding op school of van de proefbehandelsessies in de zorgpraktijk, en lijken de lees- en of spellingproblemen bij de leerling sterk te verminderen of zelfs te verdwijnen, dan zijn de problemen niet hardnekkig te noemen en is er wellicht ook geen sprake van dyslexie.

Verschil tussen onderbouw en bovenbouw vo

Zowel bij leerlingen in de onderbouw als in de bovenbouw moet de diagnosticus een uitspraak doen over de hardnekkigheid. Voor leerlingen in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs geldt dat zij al jaren leeservaring hebben opgedaan. Wanneer er op dat moment sprake is van een significante achterstand, is didactische resistentie aannemelijk. De diagnosticus zal voor het vaststellen van de hardnekkigheid dan geen informatie uit een remediërend traject meer nodig hebben.

Voor leerlingen in de onderbouw van het voortgezet onderwijs moet didactische resistentie wel worden aangetoond. De diagnosticus  bepaalt per leerling of dit op basis van aangeleverde gegevens kan worden vastgesteld, of dat er (proef)behandelingen nodig zijn voordat de diagnose gesteld kan worden.

Zwaardere weging van het criterium ‘ernst’

Wanneer de hardnekkigheid niet duidelijk genoeg naar voren komt in de aangeleverde informatie, en een remediërend traject of proefbehandeling niet mogelijk is, dan kan de diagnosticus op basis van zijn/haar klinische ervaring van de voorgestelde criteria afwijken. In dat geval zal hij/zij het criterium van de ernst zwaarder mee laten wegen (ten minste 1,5 standaarddeviatie beneden gemiddeld of onder percentiel 7 in plaats van percentiel 10). Let wel, het gebruik van dit strengere ernstcriterium zou niet het startpunt, maar het eindpunt van een diagnostisch redeneerproces moeten zijn waarbij alle beschikbare gegevens gewogen worden. In ieder geval dient de gedragswetenschapper te beargumenteren waarom de diagnose dyslexie toch gesteld wordt als niet aan alle essentiële criteria – zoals het hardnekkigheidscriterium -  is voldaan.

Bovenstaande informatie is gebaseerd op de aanbevelingen in de Brede Vakinhoudelijke Richtlijn Dyslexie:

  • 2.1.2 Signalering na het basisonderwijs, pagina 45-46
  • 3.1 Het diagnostisch proces, pagina 65-68

Lees meer

 

Naar boven