FAQ | Dyslexie vaststellen

 

1. Wie mogen diagnostiek en behandeling uitvoeren?

Het Protocol Dyslexie Diagnostiek & Behandeling (voor de Zorg) geeft aan dat diagnostiek en behandeling plaats moeten vinden onder eindverantwoordelijkheid van een gekwalificeerd gedragswetenschapper. Dit is een gekwalificeerde Gezondheidszorgpsycholoog (Wet BIG), Kinder- en Jeugdpsycholoog (NIP) of Orthopedagoog-Generalist (NVO). Deze professionals zijn in staat en bekwaam om conform het protocol vast te stellen of er sprake is van Ernstige, Enkelvoudige Dyslexie zoals bedoeld in deze vergoedingsregeling. Indien de behandeling plaatsvindt in een multidisciplinair team, dan gebeurt dit onder eindverantwoordelijkheid van een van de bovengenoemde gekwalificeerde gedragswetenschappers.

Naar boven

 

2. Kan er bij een leerling met alleen spellingproblemen ook sprake zijn van dyslexie?

Over de vraag of dyslexie ook kan worden vastgesteld bij alleen spellingproblemen, bestaat discussie. In Nederland worden er twee definities van dyslexie gehanteerd:

  1. Dyslexie is een stoornis die gekenmerkt wordt door een hardnekkig probleem met het aanleren en het accuraat en/of vlot toepassen van het lezen en/of spellen op woordniveau (Stichting Dyslexie Nederland, 2008).
  2. Dyslexie is een specifieke lees- en spellingstoornis met een neurobiologische basis, die wordt veroorzaakt door cognitieve verwerkingsstoornissen op het raakvlak van fonologische en orthografische taalverwerking. Deze specifieke taalverwerkingsproblemen wijken proportioneel af van het overige cognitieve, en met name taalverwerkingsprofiel en leiden tot een ernstig probleem met het lezen en spellen van woorden ondanks regelmatig onderwijs. Dit specifieke lees- en spellingprobleem beperkt in ernstige mate een normale educatieve ontwikkeling, die op grond van de overige cognitieve vaardigheden geïndiceerd zou zijn (Blomert, 2006).

Volgens de SDN (definitie 1) kan alleen een spellingprobleem ook voldoende zijn om te spreken van dyslexie. Volgens Blomert (definitie 2) moet er altijd sprake zijn van een leesprobleem, om te kunnen spreken over dyslexie. In het kader van de vergoedingsregeling wordt de definitie van Blomert gehanteerd. Dat betekent dat een leerling met alleen spellingproblemen niet in aanmerking komt voor vergoede diagnostiek naar en eventuele behandeling van dyslexie. De definitie van SDN biedt wel ruimte om alleen bij spellingproblemen te kunnen spreken over dyslexie, maar dit onderzoek kan niet plaatsvinden binnen de vergoedingsregeling.

Naar boven

 

3. Hoogbegaafd én dyslexie, kan dat?

Ongeveer 10% van de basisschoolleerlingen heeft leesproblemen. Bij 3,6% zijn de leesproblemen zo ernstig dat er sprake is van dyslexie. Dit is ongeacht de intelligentie, dus binnen deze groep bevinden zich ook hoogbegaafde leerlingen. Ongeveer 1-5% van de kinderen met leerproblemen is hoogbegaafd.
Hoogbegaafde leerlingen met leesproblemen of dyslexie zijn niet zo makkelijk te signaleren. Deze kinderen zijn vaak in staat om hun leesproblemen te compenseren met bijvoorbeeld goede metacognitieve vaardigheden. Kenmerken van hoogbegaafdheid helpen de leerlingen om (lees)strategieën te ontwikkelen waardoor zij toch gemiddelde resultaten laten zien. Het werkgeheugen van hoogbegaafde leerlingen blijkt bijvoorbeeld een compenserende factor te kunnen zijn voor leesproblemen.

Signalering van de groep hoogbegaafde leerlingen met leesproblemen is lastig doordat deze leerlingen niet altijd negatief opvallen binnen de normaalbegaafde groep leerlingen. Ze scoren bijvoorbeeld meestal ook niet meerdere keren een E (of V-) voor de CITO-toetsen gerelateerd aan lezen (DMT, Begrijpend lezen). Met de vraag hoe we deze leerlingen het beste kunnen signaleren is de Universiteit van Utrecht bezig (zie ook onderstaande websites). Daarnaast hebben zij onderzoek gedaan naar het welbevinden van hoogbegaafde dyslectische leerlingen.

Hoogbegaafde dyslectische leerlingen kunnen gefrustreerd en in verwarring raken omdat ze beseffen dat ze grote intellectuele mogelijkheden hebben, maar tegelijkertijd ook moeite hebben met lezen. Leerkrachten interpreteren het gedrag dat deze leerlingen laten zien soms ook als lui, ongeïnteresseerd en ongemotiveerd. Terwijl ze juist worstelen met de hoge eisen die ze zelf aan hun werk stellen (ze leggen de lat vaak hoog) en het onvermogen om hieraan te kunnen voldoen.

Naar boven