Toetsen en observeren van achterstanden

Toetsen en observaties

Om goed te kunnen inspelen op de ondersteuningsbehoeften van leerlingen, is het van belang om de lees- en spellingontwikkeling goed in de gaten te houden. Op vaste momenten in het jaar kan een leerkracht nagaan of het onderwijsaanbod voldoende is geweest en of de vooraf gestelde doelen zijn behaald. De resultaten die uit de toetsen en observaties komen kan een leerkracht gebruiken om het onderwijsaanbod (opnieuw) af te stemmen op de leerlingen. Hiervoor moeten leerlinggevens worden verzameld, geanalyseerd en geïnterpreteerd. Voor het signaleren van leerlingen die moeite hebben met lezen en spellen, speelt dit systematisch volgen van de vorderingen een grote rol. Door dit proces te monitoren kan er tijdig worden ingegrepen wanneer er achterstanden dreigen te ontstaan.

Toetsen

Kiezen van een toets

Er zijn verschillende keuzes die gemaakt kunnen worden als het gaat om toetsen. Zo kan er een keuze gemaakt worden tussen methodegebonden toetsen, of methodeonafhankelijke toetsen. Met deze eerste kun je in kaart brengen of de leerling de stof in de lessen voldoende beheerst. Met de methodeonafhankelijke toets wordt gekeken of een leerling ook de stof in een andere context kan toepassen en hoe deze presteert in vergelijking met een landelijke gemiddelde. In paragraaf 3.3 van de Handreiking Leesproblemen en dyslexie in het basisonderwijs wordt meer informatie gegeven over de verschillende toetsen die er zijn en wat ermee wordt gemeten.

Organisatie van de toetsafname

Per jaar vinden er in ieder geval twee hoofdmetingen plaats. In de Protocollen leesproblemen en dyslexie groep 3, groep 4 en groep 5-8 zijn toetskalenders te vinden, met momenten in het schooljaar waarop de toetsen afgenomen moeten worden. Deze hoofdmetingen zijn bedoeld om de ontwikkeling van alle leerlingen in kaart te brengen. Bij zwakkere lezers en spellers vinden er vaak ook nog tussenmetingen plaats. In groep 3 vindt de hoofdmeting in oktober/november plaats, ook wel de herfstsignalering genoemd. Met deze vroege meting kunnen signalen van problemen in de lees- en/of spellingontwikkeling snel worden opgespoord. In paragraaf 3.3.3 van het Protocol leesproblemen en dyslexie in het basisonderwijs wordt een overzichtelijk stappenplan gegeven van toetsafnames gedurende het schooljaar in groep 3. 

Toetsmoment

Spreek binnen het team af wie de toetsen afneemt bij de leerlingen. Het afnemen van een toets kan de leerkracht veel inzicht geven. Wanneer iemand anders dan de leerkracht de toetsen afneemt, zoals een leesspecialist, is het belangrijk om resultaten met elkaar te bespreken.

Analyseren en interpreteren van toetsgegevens

Uit de toetsen komt een ruwe score, die bij methodeonafhankelijke toetsen omgezet kan worden in een normscore of vaardigheidsscore. Op die manier kan er een vergelijking met het landelijk gemiddelde worden gemaakt. Paragraaf 3.3.4 van het Protocol leesproblemen en dyslexie in het basisonderwijs geeft veel informatie over het omzetten van deze scores naar bijvoorbeeld A-E of I-V scores. Ook is daar informatie te vinden over vaardigheidsscores, die met name bij zwakkere lezers en spellers veel informatie geven over hun vorderingen. Ook functioneringsniveaus zijn met deze scores te bepalen, waarmee inzichtelijk wordt op welk niveau een leerling leest of spelt.

Een vergelijking tussen bepaalde toetsen of onderdelen levert ook nuttige informatie op, bijvoorbeeld bij de DMT-kaarten. Met welke kaart heeft de leerling de meeste moeite? Leest een kind traag, of maakt het veel fouten? Methodegebonden toetsen leveren ook veel informatie op, met name of de leerling de stof tot dan toe beheerst. Daarmee wordt ook duidelijk waar eventuele hiaten in de beheersing zitten. Voor de ondersteuning bij zwakke lezers en spellers is het belangrijk om een foutenanalyse te maken, zodat de begeleiding gericht ingezet kan worden op deze punten.

Observeren van lees- en spellingprestaties

Naast toetsen is het belangrijk om ook observaties te gebruiken om een beeld te krijgen van de lees- en spellingontwikkeling van een leerling. Toetsen geven namelijk geen informatie over aanpakgedrag, strategiegebruik of motivatie tijden het lezen en schrijven. Daarnaast blijven toetsen altijd momentopnames, observaties bieden daarom waardevolle aanvullende informatie.

Observeren van leesgedrag

Gerichte observaties helpen een leerkracht om zicht te krijgen op de taakaanpak die door een leerling wordt gehanteerd. Voor kleuters is er de Signaleringslijst 2.0, die observatiepunten omvat bij de tussendoelen beginnende geletterdheid. Op basis van de lijst kan de leerkracht bepalen welke onderdelen er bij een leerling nog extra aandacht verdienen.

Vanaf groep 3 kan een leerkracht leesgedrag observeren. In paragraaf 3.4.1. van het Protocol leesproblemen en dyslexie in het basisonderwijs staan specifieke vragen die een leerkracht zich kan afvragen tijdens het observeren in een klassensituatie. Een observatie van een leerling individueel levert logischerwijs nog meer informatie op. Door regelmatig een leesanalyse te maken krijgt de leerkracht inzicht in de soort fouten die een leerling maakt, de patronen tijdens het hardop lezen, de leesstrategieën die worden ingezet en de mate van zelfcorrectie die wordt toegepast. Een voorbeeld van een leesanalyse wordt ook gegeven in paragraaf 3.4.1. De observatie kan afgesloten worden met een diagnostisch leesgesprek waarin de leerkracht van de leerling zelf hoort hoe deze het lezen aanpakt en wat de leerling als lastig ervaart tijdens het lezen.

Spellingobservatie

In alle groepen kan een leerkracht gerichte spellingobservaties uitvoeren. Deze dienen om inzicht te krijgen in de schrijfaanpak en -motivatie. Net zoals bij lezen draait het bij kleuters nog niet om formele spelling, maar het bewustzijn dat letters en klanken gekoppeld zijn. In de Signaleringslijst voor Kleuters 2.0 worden observatiepunten genoemd om meer zicht te krijgen op de schrijfontwikkeling van kleuters.

Vanaf groep 3 kan er bij observaties gelet worden op het spellingproduct en op het spellingproces. Ook voor spelling zijn vragen die de leerkracht zich kan stellen tijdens het observeren terug te vinden in paragraaf 3.4.2. Voorbeelden van aandachtspunten zijn het tempo waarmee de leerling schrijft en of de leerling vaak om herhaling van het gedicteerde woord vraagt. Middels een foutenanalyse na een dictee krijgt de leerkracht inzicht in welke spellingcategorieën een leerling nog lastig vindt. Met een diagnostisch spellinggesprek kan een leerling aangeven over welke geschreven woorden hij zeker is, over welke hij twijfelt en welke er zeker fout zijn. Een gesprek over de aanpak van de leerling geeft informatie over het spellingproces van deze leerling. Naast toetsen wordt ook aangeraden om spontane schrijfproducten te bekijken, omdat deze een duidelijke indicatie geven van de spellingregels of –categorieën die nog onvoldoende worden beheerst.