Woordenschat

In deze tekst leggen we uit waarom snelle woordenschatuitbreiding, oftewel woorden leren, voor leerlingen met dyslexie een struikelblok vormt. Je vindt verder informatie over hoe je als vakdocent moderne vreemde talen, rt’er of externe zorgspecialist leerlingen handvatten kunt geven om het leren van woorden aan te pakken. Deze informatie is bedoeld voor alle 4 de ondersteuningsniveaus.

Problemen bij woorden leren

Niet alle wetenschappers geven woordenschatuitbreiding aan als een probleem bij dyslexie. Suchodoletz (2011) stelt dat de problemen met het vergroten van de woordenschat niet typisch zijn voor leerlingen met dyslexie. Toch is het leren van woorden niet altijd even vanzelfsprekend wanneer een leerling dyslexie heeft zoals is te lezen in de artikelen Wat zijn de struikelblokken bij het leren van een vreemde taal als je dyslexie hebt? en Meer en minder transparante talen. De kern van het probleem bij dyslexie ligt in het koppelen van de geschreven symbolen (of de letters) aan de klanken. Als we kijken naar de problemen die leerlingen met dyslexie ervaren bij het leren van woordjes, is het belangrijk om in ons achterhoofd te houden dat het grootste deel van de schoolse instructie via de geschreven taal verloopt. In het vreemdetalenonderwijs moeten nieuwe woorden veelal via het handboek van de methode ingestudeerd worden. Bovendien wordt de kennis van de woordenschat meestal schriftelijk getoetst. En daar zit nu net het probleem. De klank-tekenkoppeling is daarbij noodzakelijk om een goede koppeling te maken tussen auditief woordbeeld, betekenis en visueel woordbeeld. Figuur 1 geeft de onlosmakelijke relatie weer tussen de betekenis, het gesproken woord en het geschreven woord.

Relatie taalaspecten

Figuur 1. De relatie tussen fonologie, orthografie en semantiek (Horions, 2012).

Het vreemde talenonderwijs vraagt een hoge efficiëntie in het leren van woorden, omdat het kunnen toepassen van een taal een zekere basiswoordenschat vraagt (Dönszelmann et al., 2020). Voor het kunnen voeren van een gesprek moet je ongeveer 2000 van de meeste voorkomende woorden kennen. Hiervoor zijn twee vaardigheden vereist, namelijk het kunnen vertalen van de woorden en het kunnen schrijven van de woorden. Deze vaardigheden zijn in de praktijk onherroepelijk met elkaar verbonden (zie figuur 1), wat echter problematisch is voor de automatisering bij een leerling met dyslexie (Milliau, 2006).

Automatiseringsproblemen

Wat de vertaling betreft, is het memoriseren van de nieuwe woorden een relatief zware opdracht voor leerlingen met dyslexie. Woorden moeten vaak geleerd worden van een woordenlijst behorend bij het hoofdstuk in het handboek. In dit zogenaamde ‘stampwerk’ zit voor leerlingen met dyslexie geen logische opbouw. Het is gewoon uit het hoofd leren. De woorden moeten veel herhaald worden, zodat ze onthouden kunnen worden. Voor leerlingen met dyslexie verloopt dit door automatiseringsproblemen nog moeilijker. Het semantisch geheugen geeft enerzijds mogelijkheden om tot een betere inprenting van woorden te komen, maar anderzijds is het te beperkt om erop te kunnen terugvallen bij het snel en efficiënt oproepen van woorden. Door deze beperking is het voor leerlingen met dyslexie niet evident om synoniemen, tegenstellingen en dergelijke op tempo op te noemen (Milliau, 2006). Wanneer echter bepaalde spellingen (vb. morfemen) geautomatiseerd zijn, is de taak minder zwaar. Woorden leren in een vreemde taal heeft altijd een bewuste en gerichte actie nodig voordat woorden ingeprent zijn.

Aanpak bij woordjes leren: hoe ondersteun ik leerlingen hierin?

De specifieke aanpak bij woordjes leren, kan je opsplitsen in twee delen: het toepassen van woorden en herhalen, herhalen, herhalen (Horions, 2012).

Toepassen van woorden

‘Woorden leren is iets doen met die woorden’ (Horions, 2012). Om een woord te leren zouden horen, zien, doen, lezen en zeggen steeds gecombineerd moeten worden. Hoe meer woorden in het geheugen zijn opgeslagen en hoe meer verbindingen er tot stand gekomen zijn, hoe makkelijker het leren van nieuwe woorden zal gaan. Dit houdt in dat naast woorden leren zelf er geleerd wordt over woorden en geleerd wordt woorden te leren (Manders & Zink, 2002). Dit kun je doen door aandacht te besteden aan de volgende aspecten:

Leren over woorden

Leren over woorden houdt in dat je alle aspecten van het woord gaat uitdiepen: fonologisch (spreken en luisteren), orthografisch (lezen en schrijven), morfologisch, semantisch en de connectie tussen semantiek en syntaxis. Dit noemt men ook het alzijdig bespreken van woorden (Henneman et al., 2013). Lexicaal bewustzijn is het vermogen om een woord te kunnen identificeren als een lexicaal element. Eén van de eerste dingen die een kind moet leren als het leert lezen is dat met een gesproken woord slechts één geschreven woord overeenkomt. Aangezien er bij het leren van vreemde talen vaak zowel het gesproken als het geschreven woord onbekend is en dus aangeleerd moet worden, is dit dubbel zo moeilijk.

Semantisch bewustzijn

Semantisch bewustzijn is de competentie om het taalsysteem te herkennen als een conventioneel en arbitrair systeem. Ook bij woordenschatuitbreiding is categoriseren belangrijk (vb. fruit, kleuren, groenten). Wanneer leerlingen enkel woorden leren uit de woordenlijst in het schoolboek verbinden ze de woorden vaak niet aan elkaar of aan de woorden die ze al kennen. Het is belangrijk dat jij daar aandacht aan geeft en, vervolgens hen stimuleert om dit zelf te gaan doen. Je helpt hen om steeds verder te categoriseren in subcategorieën, zo zorgt één item voor een hele woordenschat. Belangrijk is ook om veel tekeningen toe te voegen (Bigouret, 2015). Hier kun je ook graphic organizers voor gebruiken (Duerings et al., 2011). Je kan bijvoorbeeld de woordenschat uit de les samen met de leerlingen in een mindmap, woordweb of woordwolk  maken of de leerlingen er zelf een laten maken. Op die manier worden de woorden uit het rijtje gehaald en wordt er een samenhang gecreëerd op basis van betekenis.

Koppelen fonologie - orthografie

Voor leerlingen met dyslexie is het belangrijk om aandacht te geven aan de koppeling tussen het geschreven woord en het gesproken woord. Anders gezegd komt het er op neer om na te denken over ‘wat zie ik en wat zeg ik’ (lezen en uitspreken) en ‘wat hoor ik en wat schrijf ik’ (horen en schrijven). Dat kan je doen door met de leerling een klankspellingschrift aan te leggen. Je kan de leerling ook aanleren de grafemen die je anders uitspreekt dan in het Nederlands te laten markeren.

Op ondersteuningsniveau 3 en 4, als er meer tijd is voor specifieke remediëring, kan je de klanken die je in een woord hoort ook laten leggen met blokjes of fiches en daar vervolgens de letters of lettercombinaties aan koppelen. Wie zich hier verder in wil verdiepen en/of een overzicht van interventiemethodes wil, kan verder lezen in de tekst over hulp bij problemen met technisch lezen, spelling en vloeiend lezen en begrijpend lezen.

Morfologische kennis

Aandacht geven aan het morfologische aspect is inzicht geven aan de vorm, de structuur of de opbouw van het woord. Je gaat bij de leerling het analogiebewustzijn stimuleren (Henneman et al., 2013). Leer hen morfemen die vaak terugkomen, herkennen. Dat kunnen bijvoorbeeld achter- of voorvoegsels zijn (vb. het achtervoegsel -ment in mannelijke zelfstandige naamwoorden als un appartement, un moment of in bijwoorden als seulement, vraiment).

Leer leerlingen ook categoriseren tussen mannelijke en vrouwelijke woorden (vb. met kleuren: mannelijk is blauw, vrouwelijk is rood). Vervolgens kan je daar structuren in gaan zien (Bigouret, 2015). Vraag leerlingen hier ook naar. Er zijn veel representaties nodig om woorden op te slaan in het geheugen (Roch, 2015). Werkwoorden zijn over het algemeen moeilijker dan naamwoorden omdat die meer vormen hebben (vb. manger – je mange – nous mangeons), zeker bij de onregelmatige werkwoorden (vb. je suis – tu es – nous sommes). Ook hier zijn weer structuren in te ontdekken die leerlingen helpen om de verschillende werkwoordsvormen te onthouden.

Woorden leren: hoe pak je dat aan?

Voor leerlingen met dyslexie is het van groot belang om nieuwe woorden zo efficiënt mogelijk te leren. Leerlingen moeten leren woorden leren. Je kan leerlingen leren gebruik te maken van inprent- en metacognitieve strategieën bij het leren van woordjes. Volgens Timmerman en Van der Schoot (2000) kan het werkgeheugen beïnvloed worden door het aanleren van inprentstrategieën. De verschillende strategieën die hierboven beschreven zijn, kunnen hierbij helpen.

Ditz en anderen (2011) hanteerden in hun onderzoek bij Nederlandse brugklasleerlingen drie strategieën om Engelse woordenschat te leren: namelijk het gebruik van gebaren, het visualiseren en het categoriseren. Zo kon de leerling leren de woorden te semantiseren door ze op basis van hun betekenis in een web te plaatsen of door een tekening, een symbool of een gebaar toe te voegen als visuele en/of tactiele ondersteuning. Het woord moet bovendien daarnaast ook in de context geleerd worden. Op ondersteuningsniveau 3 en 4 kan je voor de leerling een strategie of stappenplan op maat uitwerken om woordjes te leren.

Woorden leren is herhalen, herhalen, herhalen

Pas wanneer een woord zeven keer in verschillende contexten is aangeboden en door de leerling is gebruikt, mag verwacht worden dat de leerling het ook langdurig zal kunnen onthouden (Callebaut, 2005). Zoals de quote van Brené Brown zegt: ‘Knowledge is only rumor until it lives in the bones’. Woordenschatuitbreiding moet dus gepaard gaan met veelvuldige en systematische herhaling. Men moet de leerling stimuleren om dit ook thuis vaak te doen. Herhalen, herhalen, herhalen is dus de boodschap! Belangrijk hierbij is om de leerling ook technieken en hulpmiddelen aan te reiken om een goede manier voor zichzelf te ontdekken. Enkele voorbeelden zijn overhoorprogramma’s op de computer (denk aan WRTS of Quizlet) en papier- en penmethodes, zoals de Handcomputer van Mondria (Mondria & Mondria-de Vries, 1991) of de flapmethode (Callebaut, 2005), zie hiervoor ook bijlage 21 Woorden leren zonder computer van het Protocol Dyslexie Voortgezet Onderwijs (Henneman et al., 2013). Hierbij is het beter om elke dag 5 minuten te oefenen, dan de dag voor de toets veel (vaak stressvolle) uren achter elkaar. Ook belangrijk is het om te zoeken naar een systeem waarbij de woorden uit hun rijtje van het boek gehaald worden en dus in een steeds veranderende volgorde aan bod komen. Hier vind je een goed voorbeeld van hoe je een overhoorprogramma op schoolniveau kan inzetten.