Dyslexieonderzoek

 

Door wie?

Het dyslexieonderzoek wordt uitgevoerd door een daartoe bevoegde psycholoog of orthopedagoog. Deze moet in het bezit zijn van een diagnostiekaantekening. Eindverantwoordelijke is altijd een GZ-psycholoog of orthopedagoog-generalist. Meer informatie over wie het onderzoek kan uitvoeren is te vinden op de website van het SDN.

Het doel

Het diagnostisch onderzoek is bedoeld om een analyse te maken van de gesignaleerde lees- en/of spellingproblemen en daarbij ook de cognitieve vaardigheden van een leerling in kaart te brengen. Er wordt daarbij gekeken naar mogelijke verklaringen voor de lees- en/of spellingproblemen. Op basis van de resultaten van het onderzoek kan dan vastgesteld worden of het daadwerkelijk om dyslexie gaat en kan vervolgens ook een goed onderbouwde indicatie voor een dyslexiebehandeling worden gegeven. Tevens kunnen op basis van de resultaten adviezen geformuleerd worden over hoe een leerling op school verder kan worden ondersteund.

Richtlijnen voor diagnostiek: PDDB en SDN

In het Procotol dyslexie diagnostiek en behandeling 2.0 (PDDB, 2013) wordt het diagnostisch proces uitgebreid beschreven.  Dit protocol is opgesteld voor de vergoedingsregeling voor Ernstige Enkelvoudige Dyslexie (EED) en geldt voor leerlingen in het basisonderwijs in de leeftijd van 7 tot en met 12 jaar. Voor onderzoek bij leerlingen die buiten deze regeling vallen, bijvoorbeeld oudere leerlingen in het VO, geldt dit protocol niet en wordt gebruik gemaakt van de richtlijnen voor diagnostiek en behandeling van de SDN. Deze richtlijnen komen voor een groot deel overeen met die van het PDDB, maar voor diagnostisch onderzoek binnen de EED-regeling geldt een specifieke set criteria, die beperkter zijn dan de criteria die door de SDN genoemd worden. Dit heeft te maken met de bekostigingsafspraken voor vergoede diagnostiek en behandeling in de EED-regeling. Daardoor kan het voorkomen dat er na diagnostisch onderzoek wel dyslexie maar geen EED kan worden vastgesteld. Om diagnostiek en behandeling vergoed te krijgen moet de leerling voldoen aan de EED-criteria. Diagnostiek en behandeling van dyslexie buiten de EED-regeling wordt niet vergoed en de kosten hiervoor zijn voor rekening van de ouders. Beide typen onderzoek kunnen overigens leiden tot de diagnose dyslexie en een dyslexieverklaring. Hieronder wordt het diagnostisch proces beknopt beschreven.

Voorinformatie

Na de aanmelding voor een dyslexieonderzoek wordt de leerling eerst gescreend. Er wordt dan naar de informatie gekeken die school en ouders hebben aangeleverd, om hun vermoeden van dyslexie te onderbouwen. Binnen de EED-regeling wordt voor de informatie van school gebruik gemaakt van een specifiek leerlingdossier. Buiten de EED-regeling wordt er gebruik gemaakt van de formulieren die de diagnost/behandelaar hiervoor heeft. Hierin wordt onder andere gevraagd naar een beschrijving van de lees- en/of spellingproblemen zoals die op school zijn gesignaleerd. Daarnaast bevat het dossier informatie over toetsresultaten en welke extra ondersteuning er op school is geboden. Deze informatie moet zicht geven op zowel de ernst (leerachterstand) als de hardnekkigheid van de problemen: duidelijk moet zijn dat ondanks de geboden hulp op school de leerling niet vooruit is gegaan en blijvend zeer laag scoort op toetsen voor lees- en spellingvaardigheid. De leerling vertoont hierbij dan didactische resistentie voor specifiek lezen en spellen en dat kan een aanwijzing zijn voor dyslexie.

Onderdelen van het onderzoek

Intakegesprek met ouders

Met ouders wordt een intakegesprek gevoerd, waarin gevraagd wordt naar informatie over het   ontwikkelingsverloop van de leerling tot nu toe. Dit heeft als doel om zicht te krijgen op mogelijke eerdere signalen van dyslexie en om eventuele  alternatieve verklaringen voor de lees- en/of spellingproblemen uit te sluiten. Er komt onder andere aan bod hoe de schooltijd tot nu toe is verlopen, of er mogelijk nog andere leer- of ontwikkelingsproblemen zijn en of dyslexie voorkomt in de familie.

Lees- en spellingtoetsen

Tijdens het onderzoek wordt het niveau van het lezen en spellen van losse woorden in kaart gebracht. Hiervoor worden gestandaardiseerde toetsen gebruikt, op basis waarvan een uitspraak gedaan kan worden over de achterstand op deze gebieden.  Kinderen lezen rijtjes van woorden en non-woorden, waarbij gelet wordt op tijd en op nauwkeurigheid. Daarnaast wordt er een dictee gedaan, op woordniveau.

Verklarende factoren

Naast het niveau van lezen en spellen wordt ook gekeken naar een aantal factoren, die de gesignaleerde lees- en spellingproblemen kunnen verklaren. De taken die worden afgenomen meten onder andere fonologische vaardigheden, snel benoemen en kennis van de letter-klankkoppelingen. Een specifieke set van deze taken is gekoppeld aan de EED-regeling en wanneer kinderen op deze taken uitval laten zien, wordt EED vast gesteld  en krijgen ze een behandelindicatie voor vergoede dyslexiezorg. Voor onderzoeken die buiten de EED-regeling vallen, geldt deze inperking niet.

Intelligentie

Zoals in de definitie van dyslexie wordt beschreven (SDN, 2016), gaat het om een specifieke leerstoornis die niet het gevolg is van een algemene verstandelijke beperking. Er wordt daarom een IQ grens gehanteerd, wanneer het IQ lager is dan 70 dan wordt de algemene verstandelijke beperking gezien als eerste stoornis en eventuele dyslexie als tweede. Net zoals bij andere combinaties van stoornissen geldt dan dat de eerste stoornis zwaarder weegt. In dit geval betekent dat er een andere procedure nodig is om dyslexie vast te kunnen stellen.

Het doen van IQ onderzoek geeft niet alleen een beeld van de algemene intelligentie, er kan ook naar specifieke onderdelen worden gekeken. Deze resultaten geven namelijk inzicht in het niveau van de semantische taalvaardigheden (zoals woordenschat en het kunnen leggen van verbanden tussen woorden), in de werking van het geheugen en in de snelheid waarmee een kind informatie verwerkt. Dit zijn allemaal factoren die informatie geven over hoe een kind leert, wat alternatieve verklaringen kunnen zijn voor de lees- en/of spellingproblemen. Tevens spelen deze ook een grote rol in het opstellen van een passende behandelaanpak.

Resultaten

Aan de hand van de resultaten kan de diagnost bepalen of er sprake is van dyslexie, al dan niet EED Daarvoor wordt naar alle verzamelde gegevens gekeken, zowel naar de informatie uit het leerlingdossier en de intake als de uitkomsten op alle afgenomen taken en toetsen.  Wanneer er sprake is van dyslexie, dan kan de diagnost een dyslexieverklaring afgeven en een dyslexiebehandeling voorstellen met een bijbehorend behandelplan . Hierin staat beschreven wat de inhoudelijke aandachtspunten voor de behandeling zijn en welke doelen er worden gesteld.

Uitkomst: Ernstige Enkelvoudige Dyslexie (EED),

Wanneer er volgens het EED-protocol sprake is van ernstige enkelvoudig dyslexie dan wordt een EED-behandelindicatie afgegeven en kan de leerling starten met een vergoed behandeltraject.

Uitkomst: wel dyslexie, maar geen EED

Binnen de EED-regeling kan het zijn dat een kind geen of onvoldoende uitval laat zien op de specifieke taken van het EED protocol. Er wordt dan geen EED-behandelindicatie afgegeven, en er is geen toegang tot het vergoede behandeltraject. Wanneer er wel een ernstige achterstand is vastgesteld en de hardnekkigheid van de problemen is aangetoond kan er wel dyslexie worden vastgesteld en wordt ook een dyslexieverklaring afgegeven. Afhankelijk van de bevindingen uit het onderzoek zal de diagnost dan een (niet-vergoede) behandeling  voorstellen of adviezen meegeven voor extra ondersteuning van de leerling op school, op het gebied van lezen en/of spellen.

Een andere reden om geen EED-behandelindicatie af te geven is wanneer uit het onderzoek blijkt dat er sprake is van comorbiditeit. Dat wil zeggen dat er naast dyslexie andere problemen zijn die mogelijk de behandeling in de weg staan. Bijvoorbeeld als er ook sprake is van ADHD, wat een belemmering kan vormen voor de uitvoering van de EED-behandeling. Wanneer het geen belemmering vormde bij het uitvoeren van het onderzoek kan er wel een dyslexieverklaring worden afgegeven.

Uitkomst: geen dyslexie

Soms kan het voorkomen dat uit het onderzoek  blijkt dat er geen sprake is van dyslexie. De lees- en spellingproblemen kunnen bijvoorbeeld minder ernstig blijken of de hardnekkigheid van de problemen kan niet worden vastgesteld.  Of er blijkt een andere reden te zijn waarom een kind moeite heeft met lezen en spellen. Bijvoorbeeld als blijkt dat een kind voor langere tijd niet naar school kon in het verleden, of er alternatieve verklaringen voor de leesproblemen naar voren komen uit de testen die zijn afgenomen. In het diagnostiekverslag worden dan wel handelingsadviezen gegeven voor hoe zowel thuis als op school het beste omgegaan kan worden met de lees- en spellingproblemen. Ook zonder de diagnose dyslexie moet de leerling op school de juiste hulp en begeleiding krijgen bij zijn lees- en spellingproblemen, de inzet van deze hulp en begeleiding is niet afhankelijk van het al of niet hebben van een dyslexieverklaring.