Verschillen tussen verwerven moedertaal en leren vreemde taal

Wanneer er wordt gesproken over het verwerven van de moedertaal wordt weleens de vergelijking met een spons gebruikt: jonge kinderen zouden alle taaluitingen opzuigen als een spons, zonder dat dit moeite kost. Vervolgens zouden ze zonder problemen tot taalproductie (praten) overgaan. Bij moedertaalverwerving gaat het om een natuurlijk spontaan proces waarbij kinderen bij het luisteren onbewust op regelmatigheden letten en hierop hun eigen taalgebruik baseren. Een voorwaarde is  dat ze het juiste aanbod krijgen. Wanneer dat niet het geval is (bijvoorbeeld incorrecte grammatica of verkeerd woordgebruik) dan nemen kinderen het verkeerde over. Ook moet het aanbod gevarieerd zijn: een afwisseling tussen korte en lange zinnen en een gevarieerd aanbod van woorden zodat de woordenschat kan groeien.

De meeste kinderen verwerven op deze wijze de gesproken moedertaal. Bij het leren van een vreemde taal binnen een schoolcontext verloopt het proces heel anders. In de eerste plaats omdat het gaat om kinderen en jongeren van een andere leeftijdsgroep en omdat er geen sprake is van een constant gevarieerd aanbod in de nieuwe taal. Jonge kinderen worden namelijk de hele dag ondergedompeld in hun moedertaal door onder andere de ouders. Dat is wel anders dan die paar uur per week Frans met één docent die de aandacht moet verdelen over 30 leerlingen. Een ander verschil is dat bij het leren van een vreemde taal de schriftelijke taal voorop staat, terwijl bij de taalverwerving van kinderen het leren van de taal juist mondeling begint.

In dit artikel gaan we in op hoe moedertaalverwerving in vergelijking met het leren van een vreemde taal verloopt. Hierbij informatie over de belemmeringen die dit overlevert bij leerlingen met dyslexie en hoe je de invloed van deze belemmeringen kunt verminderen of zelfs wegnemen.

Moedertaalverwerving

Het eerste contact met taal begint al in de baarmoeder waar de foetus reageert op de stem van de moeder (Kisilevsky et al., 2009). Direct na de geboorte staat de moedertaalverwerving in het teken van interactie tussen ouder en kind. Baby’s doen dat door te luisteren naar het taalaanbod waar ze al heel snel op reageren door middel van klanken. Het is dus een kwestie van stimulus en respons. Taalaanbod is wel een vereiste; kinderen tegen wie niet wordt gesproken, ontwikkelen geen taalproductie. Taalontwikkeling kan dus niet onbeperkt ingehaald worden omdat kinderen een kritische fase doorlopen waarin zij zeer gevoelig zijn voor talige invloeden.

Fasen in de moedertaalontwikkeling

De natuurlijke taalontwikkeling is voor een groot gedeelte gebonden aan een kritische periode; vanaf de geboorte tot ongeveer vijf jaar hebben kinderen een bijzonder vermogen om taal te leren (Gillis & Schaerlaekens, 2000; Harley, 2014). In die eerste vijf jaar worden in de hersenen verschillende functionele systemen gebouwd die samen het basissysteem voor taal vormen. In die periode zijn kinderen vooral bezig om de gesproken moedertaal te verwerven. In het schema hieronder is te zien welke fasen ze doorlopen:

Figuur 1. Fasen in de ontwikkeling van de gesproken moedertaal (gebaseerd op Gillis & Schaerlaekens, 2000).
Fase en leeftijd Activiteiten
Pre-linguale fase
(0 - 12 maanden)
 
Klankherkenning en -productie:
Kinderen en volwassenen communiceren met vooral non-verbale maar ook verbale interactie waarbij het kind leert beurtwisselen. Het kind leert ook klanken te produceren door verschillende klanken achter elkaar te zeggen en de intonatie af te wisselen (bijv. dada, baba, gaga).
Vroeg-linguale fase
(12 maanden - 2,5 jaar)
Kinderen herkennen woorden en reageren op de betekenis. Er is sprake van betekenisvol taalgebruik. Het kind spreekt zijn eerste woordjes en zinnetjes van twee of drie woorden. Ook de passieve woordenschat neemt toe.
Differentiatiefase
(2,5 -  5 jaar)
De woordenschat breidt zich snel uit en kinderen leren steeds betere en uitgebreidere zinnen te formuleren. De grammaticale en klankontwikkeling maken daarbij een snelle groei door. Kinderen herkennen alle klanken van de moedertaal. De verstaanbaarheid neemt toe.
Voltooiingsfase
(> 5 jaar)
Er is sprake van verfijning van het taalgebruik (met name de grammatica) en verdere uitbreiding van de woordenschat. Het kind gebruikt nu correcte en ook samengestelde zinnen. De zinslengte en de woordvolgorde gaan steeds meer lijken op de taal van een volwassene.

Wanneer kinderen deze fasen goed doorlopen hebben, zijn ze klaar om op school de geschreven vorm van hun moedertaal te leren. Ze gebruiken daarbij alle kennis die ze al hebben van deze taal, zoals grammaticale kennis en woordenschat.

Leren van fouten

Bij een goed verlopende taalontwikkeling maken kinderen zich sommige taalvaardigheden al eigen voordat ze aan het formele onderwijs beginnen en daadwerkelijk spelling en grammaticaregels leren. Bijvoorbeeld de grammatica. Kinderen kunnen al de juiste werkwoordsvormen gebruiken voordat ze op school de regels leren. Dit komt doordat regelmatigheden opvallen wanneer het taalaanbod voldoende gevarieerd is. Kinderen horen veel verschillende werkwoorden, maar de vervoeging is altijd hetzelfde. Zo leren kinderen onbewust de regels rond het vervoegen van werkwoorden en passen zij deze toe bij nieuwe werkwoorden. Bijna alle kinderen doorlopen bijvoorbeeld een fase waarin ze sterke werkwoorden vervoegen als zwakke: “Zij loopten naar huis.” Ouders zullen hierop reageren door de juiste vorm aan te bieden (“liepen.”). Leren  door regelmatigheden in het taalaanbod op te pikken wordt statistisch leren genoemd.

Binnen dit proces is er sprake van een grote tolerantie ten opzichte van ‘fouten’. Volwassenen in de omgeving van het kind zullen meestal reageren door middel van het aanbieden van het goede woord of de juiste werkwoordsvorm, zoals in het voorbeeld hierboven.

Vreemdetalenonderwijs ≠ moedertaalverwerving

Leerlingen die een vreemde taal leren, meestal aan het eind van de basisschoolperiode en binnen het voortgezet onderwijs, hebben niet de verschillende fasen als bij de moedertaalverwerving doorlopen (zie figuur 1). Zij beheersen dus niet de mondelinge vorm van de taal. Wel beheersen ze hun eigen moedertaal op een zeker basisniveau, zowel receptief (luisteren en lezen) als productief (spreken en schrijven), wat helpt om een vreemde taal goed te kunnen leren. Het basisniveau kan wel sterk verschillen tussen leerlingen. Wanneer je je moedertaal maar beperkt beheerst, is het moeilijker om een vreemde taal te leren.

Binnen het vreemdetalenonderwijs (VTO) worden verschillende taaldomeinen in een veel hoger tempo aangeboden dan bij moedertaalverwerving. Bij een nieuw woord of een grammaticale structuur worden bijvoorbeeld bijna gelijktijdig alle vormen, receptief en productief, aangeboden. Dit gebeurt niet binnen een context waar de taal de hele tijd wordt gesproken maar binnen een schoolcontext, gedurende enkele lesuren per week. 

Focus ligt op correct taalgebruik

Waar bij het verwerven van de moedertaal een grote tolerantie bestaat ten opzichte van het maken van fouten en ouders vooral trots zijn op wat hun kind al kan, ligt de lat bij leerlingen die op school een vreemde taal leren hoger en worden ze sneller geconfronteerd met hun tekortkomingen. De focus ligt namelijk vaak niet op het communicatieve aspect van de taaluiting maar op de grammaticale correctheid. Zo is het voor iedereen duidelijk wat een leerling bedoelt wanneer hij zegt: “Aisha is at home, she watching a movie with a friend.” Deze leerling kan de continuous correct gebruiken maar het hulpwerkwoord in de zin ontbreekt nog. Het communicatieve aspect is prima.

Mondelinge opdrachten worden doorgaans ook op het aspect communicatie beoordeeld maar wanneer de leerling deze zin zou opschrijven, weegt de grammaticale fout toch relatief zwaar. 

In de Kerndoelen voor Engels (onderbouw vo) staat de doelstelling voor schrijfvaardigheid als volgt beschreven: De leerling leert informeel contact in het Engels te onderhouden via e-mail, brief en chatten (Kerndoel 17). Bij dit kerndoel staat de schrijfvaardigheid centraal. Leerlingen communiceren op een schriftelijke manier, door gebruik van e-mail, brieven en chatten. Het gaat hier veelal om informeel contact dat dicht bij de belevingswereld van de leerling ligt.

Focus op schriftelijke vorm

Binnen het VTO zijn leerlingen het grootste deel van de beschikbare tijd bezig met het leren van de schriftelijke vorm van de taal terwijl bij moedertaalwerving mondelinge taalproductie wordt gezien als de motor van de taalontwikkeling (Damhuis, 2008). De reden hiervoor is de organisatie van het onderwijs en de samenstelling van groepen en de inrichting van lokalen. Alles is gericht op leerlingen die lezen en schrijven omdat deze activiteiten makkelijker te organiseren, controleren en beoordelen zijn dan luisteren en spreken.  De door de school gekozen lesmethode heeft een centrale positie binnen dit onderwijs.

Wat maakt het zo lastig om een vreemde taal te leren als je dyslexie hebt?

Het is dus niet echt mogelijk om VTO zodanig in te richten dat het proces van moedertaalverwerving wordt benaderd. Bovendien gaat het in het voortgezet onderwijs om leerlingen die de schriftelijke vorm, het alfabetisch schrift, van hun moedertaal al kennen. Het schriftbeeld kan als ondersteuning dienen bij het leren van een vreemde taal op school. Daar is de didactiek van het vreemdetalenonderwijs helemaal op afgestemd.  Leerlingen met dyslexie zijn echter vaak nog bezig om de schriftelijke vorm van de moedertaal volledig geautomatiseerd te gebruiken. Zij hebben vaak het stadium waarbij de taalgebruiker zich kan richten op de inhoud en minder op de vorm, nog niet bereikt. Voor deze leerlingen is deze focus op schriftelijke taal daarom een groot struikelblok. Wanneer deze leerlingen een vreemde taal gaan leren, vindt een herhaling plaats van wat ze in groep 3 en 4 hebben meegemaakt: ze lopen al snel een achterstand op ten opzichte van veel klasgenoten. In deze schoolsituatie kennen ze voor de gesproken taal echter ook nog niet alle vormen en aspecten van de nieuwe woorden die tegelijk moeten worden geleerd.

Er zijn een aantal belemmerende factoren die een struikelblok vormen voor leerlingen met dyslexie (zie figuur 3). Die hebben zowel te maken met de wijze waarop de vakinhoud wordt aangeboden als de wijze waarop het onderwijs is ingericht. Door het gebrek aan tijd heeft de docent bijvoorbeeld vaak niet de mogelijkheid om nog eens extra voorbeelden te geven of een grammaticale regel te herhalen. In onderstaande figuur worden suggesties gegeven hoe je de negatieve invloed van deze belemmerende factoren kunt verminderen of wegnemen.

Figuur 3. Hoe kun je leerlingen ondersteunen bij de belemmerende factoren van vreemdetalenonderwijs.

Factor

Ondersteuningsvorm

Tijd

  • Extra oefentijd creëren door bijv. tijdens keuzewerktijd extra instructie te geven en herhalingsoefeningen te geven.

Onnatuurlijke taalleersituatie

  • Als docent actief inspringen op het feit dat sommige leerlingen (dyslexie, taalzwak, anderstalig) een woord in de vreemde taal ook niet in het Nederlands kennen door bij bepaalde woorden te checken of leerlingen weten wat het woord betekent.

Focus op geschreven taal

  • Docenten kunnen het vaksectieplan nog eens kritisch doornemen en bezien of de mondelinge vaardigheden voldoende aan de orde komen en of leerlingen in voldoende mate de kans krijgen om te laten zien wat ze kunnen. En taalproductie, waaronder mondelinge communicatie stimuleert in sterke mate de taalontwikkeling.
  • Besteed expliciet aandacht aan de klank-tekenkoppeling bij de vreemde taal.
  • Kijk naar de opdrachtvorm door bijv. geen werkstuk te laten maken, maar een video/vlog over een bepaald onderwerp.

Motivatie & succeservaringen

  • Probeer leerlingen te motiveren door hen succeservaringen te laten opdoen bij het leren van een vreemde taal. Dit kan ook door bijv. bij eerstejaars een gewenningsperiode in te lassen waarbij leerlingen nog geen cijfers krijgen of geen cijfers onder de 4/5.
  • Stem met de vaksectie af wanneer het functioneel is om spelfouten meet te rekenen, door dat bijv. alleen te doen wanneer leerlingen de spelling van een woord moesten leren, dus niet wanneer ze het alleen FR-NL moeten leren.