Versterken samenwerking onderwijs en zorg: Innovatieve Dyslexiezorg (IDEE)

Onder de naam ‘IDEE: innovatieve dyslexiezorg’ heeft Marant een pilot opgezet, waarin de vergoede dyslexiezorg anders wordt vormgegeven. Bij een IDEE-traject starten kinderen namelijk met twaalf behandelingen in plaats van met een diagnostisch onderzoek. Hierdoor kan beter bepaald worden of er daadwerkelijk sprake is van EED én krijgen kinderen die moeite hebben met lezen en spellen, direct de juiste hulp.

Deze pagina beschrijft het goede voorbeeld van de IDEE-werkwijze van Marant volgens het beschrijvingskader ‘Goede voorbeelden’ van het Stimuleringsprogramma Aanpak Dyslexie.

Klik op onderstaande links om snel naar de verschillende onderdelen te gaan:

Samenstelling van de werkgroep:

  • Noor van der Windt
  • Nicole Boenders
  • Michelle Oosterhoff
IDEE Innovatieve Dyslexiezorg

Korte beschrijving van het goede voorbeeld

In 2016 is onder de naam IDEE: innovatieve dyslexiezorg, een pilot gestart bij Marant waarin de vergoede dyslexiezorg anders wordt vormgegeven. Bij een IDEE-traject starten kinderen met twaalf behandelingen. De reden hiervoor is tweeledig: naast dat het een beter beeld geeft of er daadwerkelijk sprake is van ernstige, enkelvoudige dyslexie (EED), zorgt het er ook voor dat er minder vals positieven in de dyslexiezorg komen en een dyslexieverklaring krijgen. Bovenal krijgen de kinderen die veel moeite hebben met lezen en spellen, wel direct hulp. Na twaalf sessies worden de resultaten geanalyseerd en wordt bekeken of het vermoeden van EED bevestigd kan worden en er dus diagnostisch onderzoek binnen de EED-regeling noodzakelijk is.

Op basis van de dyslexiebehandelingen kan er veel worden gezegd over het wel of niet hebben van ernstige, enkelvoudige dyslexie (EED). Ook geeft het effect van een behandelperiode een goed beeld over de hardnekkigheid. Die hardnekkigheid moet aangetoond worden door goede interventies in het onderwijs uit te voeren, maar dit is met de reguliere werkwijze bijna niet betrouwbaar te screenen. Op basis van papieren dossiers kan er wel wat worden gezegd over wat er is uitgevoerd, maar niet hoe. Dat maakt het lastig om uitspraken te doen over de kwaliteit van het voortraject. De eerste 12 behandelingen geven veel waardevolle informatie om hier uiteindelijk wel een gedegen uitspraak over te kunnen doen.

Procedure na de twaalf behandelingen

Na twaalf behandelingen wordt er een tussenevaluatie afgenomen en worden de resultaten geanalyseerd en afgezet tegen de verwachtingen. Kinderen die meer vooruitgang boeken in twaalf behandelingen dan verwacht mag worden van een kind waarbij het vermoeden van dyslexie bestaat, worden terugverwezen naar school. Die verwachting is gebaseerd op ‘cut off-criteria’ op basis van onderzoek (Tilanus, 2019). Uit de analyses in de pilot bleek dat kinderen die een EED behandeling krijgen een bepaalde gemiddelde vooruitgang laten zien in de eerste twaalf behandelingen. Bij kinderen die meer dan twee standaarddeviaties boven het gemiddelde vooruitgaan bestaat er twijfel over de didactische resistentie.

Monitoringstraject

Wanneer een kind wordt terugverwezen naar school wordt er samen met school, ouders en kind besproken hoe de stijgende lijn voortgezet kan worden. Het kind wordt nog een bepaalde periode gevolgd (op afstand) door de dyslexiebehandelaar, waarbij voortdurend afstemming met school en ouders plaatsvindt. Dit wordt een monitoringstraject genoemd. In zo’n monitoringstraject wordt gekeken hoe goedwerkende onderdelen uit de behandeling in het onderwijs ingezet kunnen worden. Dit wordt vastgelegd in een plan van aanpak. Na vier en acht weken is er even contact om te horen hoe het loopt en of er vanuit de behandelaar nog ondersteuning nodig is, thuis of op school. Na twaalf weken wordt het plan van aanpak geëvalueerd. De behandelaar neemt dan lees- en spellingtoetsen af en bespreekt met ouders en school de resultaten, hoe het gaat met de uitvoering van het plan en welke aanpassingen er eventueel nodig zijn. Daarna volgt weer een periode van twaalf weken, waarin steeds meer wordt toegewerkt naar het moment dat school weer helemaal zelf de ondersteuning op zich neemt in samenwerking met ouders. In deze tweede periode is er na zes weken contact om te horen hoe het gaat en weer na twaalf weken een laatste evaluatie. Ook dan worden weer de lees- en spellingtoetsen afgenomen en wordt er gekeken hoe de lees- en/of spellingontwikkeling verloopt. Er wordt dan ook gekeken of er op basis van de resultaten een dyslexieverklaring wordt afgegeven.

Diagnostisch onderzoek

Kinderen die na de eerste twaalf behandelingen niet voldoen aan de ‘cut off-criteria’, krijgen een diagnostisch onderzoek. In sommige gevallen blijkt uit het onderzoek dat er geen of te weinig kenmerken van EED te zien zijn, waardoor een kind alsnog wordt terugverwezen naar school. Ook dan start er een monitoringstraject. Er is dan weliswaar nog steeds sprake van lees- en/of spellingproblemen. Ook dan is het opstellen van een plan van aanpak samen met school en ouders heel belangrijk: hoe gaat deze leerling op school extra ondersteund worden bij het lezen en spellen?

Bij kinderen die wel voldoende kenmerken van ernstige dyslexie laten zien, wordt het behandeltraject voortgezet. Er wordt dan een sterk vermoeden van dyslexie uitgesproken. Op basis van voldoende kenmerken van dyslexie komen deze kinderen in aanmerking voor vergoede behandelingen. Maar er wordt pas aan het eind van de voorgezette behandeling beslist of er al dan niet een dyslexieverklaring wordt afgegeven.

Het Protocol Dyslexie Diagnose en Behandeling 2.0 wordt bij deze manier van werken losgelaten. Er wordt vooral naar het individuele resultaat van het kind gekeken en of dit in lijn met de verwachting is wanneer er sprake is van een vermoeden van dyslexie.

Aanleiding, visie en doelen

Landelijk is er sprake van een overschrijding van de prevalentie kinderen in de vergoede dyslexiezorg. Er worden te veel dyslexieverklaringen afgegeven; veel meer dan je op basis van de prevalentie zou verwachten. Terwijl het vaak lastig is om te bepalen waar de lees- en spellingachterstand van een kind vandaan komt. Er wordt al snel aan dyslexie gedacht, maar er zijn ook andere oorzaken mogelijk. Het is gecompliceerd om de diagnose ernstige, enkelvoudige dyslexie (EED) te stellen, omdat er veel factoren meespelen. Door te starten met behandelen en heel nadrukkelijk de werkzame componenten van een dyslexiebehandeling aan bod te laten komen, wordt er een completer beeld verkregen van de aard van de problematiek en de hardnekkigheid van de lees- en/of spellingproblemen. De didactische resistentie wordt daarmee kwalitatief goed in kaart gebracht. Dit biedt ook waardevolle aanknopingspunten voor het al dan niet stellen van een diagnose. Het streven is tevens om onderwijs en zorg sterker aan elkaar te verbinden. Als in het lees- en spellingonderwijs goedwerkende onderdelen uit de dyslexiebehandeling opgenomen worden, hebben alle kinderen daar baat bij. Van deze aanpak kan een deel van de zwakke lezers en spellers zoveel profiteren, dat ze niet meer doorverwezen hoeven te worden naar de vergoede dyslexiezorg. Op die manier blijft het vergoede behandeltraject beschikbaar voor kinderen die het écht hard nodig hebben, namelijk kinderen met ernstige, enkelvoudige dyslexie (EED). Daarmee blijft de zorg ook betaalbaar voor gemeenten en wordt voorkomen dat een kind ten onrechte een dyslexieverklaring krijgt.

Het kind krijgt gelijk hulp en hoeft niet te wachten op een diagnose. Daarmee is er meer verbinding tussen onderwijs en zorg. Als de werkwijze goed zijn werk doet, heft deze zichzelf weer op. De terugverwijzingen naar het onderwijs, met bijbehorende monitoringstrajecten en de gesprekken over het lees- en spellingonderwijs, hebben dan hun positieve effect op het aantal aanmeldingen gehad: die worden minder, oftewel de juiste kinderen komen in de vergoede dyslexiezorg terecht. Er wordt dan teruggegaan naar het oorspronkelijke model: eerst diagnostisch onderzoek en indien nodig een behandeltraject. Het diagnostisch onderzoek geeft wel de nodige inzichten in hoe je een kind het beste kunt behandelen.

Het proces van ontwikkeling, uitvoering en implementatie

De resultaten uit wetenschappelijk onderzoek bieden zicht op het aantal behandelingen waarna groei verwacht mag worden en geven informatie over effectieve componenten van de behandeling. Het Nederlands is qua orthografie een transparante taal, waardoor er na twaalf weken intensieve behandeling goed de response-to-intervention in kaart gebracht kan worden (Tilanus, 2019). De evaluatie na de twaalf behandelingen geeft een betrouwbaarder beeld en brengt nog beter de hardnekkigheid in kaart, om te kunnen bepalen of een kind in aanmerking komt voor onderzoek. 

Met deze werkwijze wordt er door de hele keten samen opgetrokken, in plaats van dat er op aparte eilandjes wordt gewerkt. Met kind, ouders, school en zorgaanbieder wordt gezamenlijk gewerkt aan de opgestelde doelen. 
Bij de uitvoering van deze werkwijze zijn verschillende partijen betrokken: gemeenten, scholen, kinderen en hun ouders en natuurlijk de behandelaars. In gesprekken met gemeenten is toegelicht waarom de wens er was om deze werkwijze in te zetten en wat daar de resultaten van konden zijn. Er verandert niets aan de aanmelding en screening, maar de start van het behandeltraject is anders. IDEE is vormgegeven in de PDCA-cyclus waardoor de resultaten steeds geëvalueerd zijn. Dit is gebruikt om de werkwijze verder aan te scherpen. Een pilotperiode bij IDEE duurt ongeveer 3 jaar. De wijze waarop hierover gerapporteerd wordt, wordt per gemeente afgesproken. Dit kan bijvoorbeeld een tweejaarlijkse monitorrapportage en mondelinge terugkoppeling zijn. De gemeente besluit zelf of en hoe zij de monitorgegevens naar buiten brengen.

Binnen Marant zijn er verschillende kartrekkers geweest die verantwoordelijk waren voor het uitzetten van deze werkwijze en die de werkwijze verder blijven aanscherpen. Collega’s kregen informatie over de wetenschappelijke onderlegger en de manier van werken. Regelmatig zijn er bijeenkomsten waar ervaringen worden uitgewisseld en de werkwijze steeds verder wordt verbeterd.

Vooraf

Om te kunnen starten zijn vooraf afspraken gemaakt met de gemeenten. Er moet toestemming worden gegeven om af te wijken van het protocol gedurende de pilotperiode. Gemeenten moeten achter deze werkwijze staan, aangezien de vergoede zorg vanuit de gemeente wordt gefinancierd. Vervolgens is er een stuurgroep gevormd in de regio, waar gemeenten, vertegenwoordiging vanuit het onderwijs/SWV/besturen/ib-netwerken en zorgaanbieder zitting in nemen. Daarmee is gedeelde verantwoordelijkheid gecreëerd.

Evalueren en informeren

De toelating tot EED-zorg blijft hetzelfde. Kinderen starten alleen niet met een diagnostisch onderzoek, maar krijgen eerst behandelingen. 

Door regelmatig met de betrokkenen te evalueren (gemeenten, behandelaars, scholen), is de werkwijze gedurende de pilotfase verder aangescherpt. Een goede informatievoorziening is heel belangrijk, voor alle partijen. Door middel van tussentijdse rapportages worden opbrengsten gedeeld met de verschillende betrokkenen.

Behandelaars zijn getraind en er wordt gewerkt met protocollen en behandelplannen. Daarmee is voor iedereen duidelijk welke stappen gezet kunnen worden en wat de lijn in de werkwijze is. Door regelmatig bijeenkomsten te organiseren waarin updates worden gegeven en waar ervaringen kunnen worden uitgewisseld, blijven behandelaars betrokken bij de manier van werken. Tevens is er een infographic ontwikkeld voor ouders, zodat op inzichtelijke wijze wordt weergegeven hoe zo’n traject er uitziet. Scholen en samenwerkingsverbanden worden door middel van live webinars geïnformeerd over IDEE, waarbij kan worden ingegaan op specifieke vragen vanuit die regio.

Inmiddels zijn ook andere zorgaanbieders door Marant opgeleid om met de IDEE-werkwijze te werken. Tijdens intervisies worden successen en knelpunten besproken, waardoor alle zorgaanbieders deze werkwijze zo optimaal mogelijk kunnen inzetten.

Het resultaat: wat heeft het goede voorbeeld opgeleverd?

Deze werkwijze levert een bijdrage aan het versterken en verbeteren van de afstemming tussen onderwijs en zorg bij kinderen bij wie sprake is van (een vermoeden van) dyslexie. Door meer samen op te trekken in het vormgeven van het lees- en spellingonderwijs op de verschillende niveaus, heeft dit een effect op het aantal aanmeldingen voor vergoede zorg. De tot nu toe verzamelde data laat een daling zien in het aantal kinderen dat een hele dyslexiebehandeling volgt (ongeveer 48 sessies), ten opzichte van hoe dit is bij reguliere trajecten. Dat kan op termijn zorgen voor een financiële besparing bij gemeenten, waardoor de dyslexiezorg betaalbaar blijft. De hardnekkigheid wordt op een betrouwbaarder manier in kaart gebracht waardoor kinderen niet onterecht in de zorg komen of een dyslexieverklaring krijgen. Zorgvuldige datamonitoring gedurende een aantal jaren is nodig om de effecten van deze werkwijze zichtbaar te maken.

Proces van borging en verankering

Door de beoogde verbeterde samenwerking tussen zorg en onderwijs is het aannemelijk dat de werkwijze van IDEE van tijdelijke aard is. De bedoeling is dat IDEE zichzelf na verloop van tijd weer opheft, en de verbinding tussen zorg en onderwijs dermate geoptimaliseerd en vervolgens genormaliseerd is, dat er terug kan worden gegaan naar de reguliere werkwijze. De IDEE-werkwijze creëert naast preventieve aspecten op kindniveau ook het gesprek met scholen over goed lees- en spellingonderwijs waarin scholen worden gestimuleerd daar ook in te investeren. Hier kun je als regio ook voorwaardelijk in optreden naar het onderwijs. Door de werkwijze meerdere jaren uit te voeren, ontstaan er gezamenlijke inzichten. De bedoeling is een duurzame samenwerking en zienswijze te creëren waardoor de prevalentie ook duurzaam wordt verlaagd. Dat betekent voor het onderwijs: structureel voorkomen dat kinderen onterecht in de zorg belanden. En voor de zorg: dyslexiezorg waarbij dyslexieonderzoek bij aanvang gebruikt wordt om inzicht te geven in hoe er behandeld moet worden, oftewel een nog specialistischer manier van werken.

Overdraagbaarheid naar een andere praktijk, situatie of context

Waarom zouden anderen dit goede voorbeeld moeten volgen?

Anderen die deze werkwijze willen volgen, zien de mogelijkheden ervan om de verbinding tussen onderwijs en zorg te versterken en minder kinderen in vergoede zorg terecht te laten komen. Er kan eerder terugverwezen worden naar school, waar zorg en school samen de ondersteuning aanscherpen en verbeteren. Minder kinderen doorlopen op deze manier een volledig dyslexiezorgtraject. Doordat een deel van de inhoud van de behandeling de transfer naar het onderwijs maakt, bestaat er de mogelijkheid de behandeling nog specialistischer te maken. In plaats van losse werkwijzen op school en in de behandeling vindt er een betere afstemming tussen onderwijs en zorg plaats. Juist ook de kinderen die niet voor vergoede zorg in aanmerking komen, maar wel lees- en/of spellingproblemen hebben, kunnen hiervan profiteren.

Hoe kan het goede voorbeeld een verandering in handelen en denken van anderen teweegbrengen?

Uit onderzoek blijkt de effectiviteit van de eerste twaalf behandelingen (Tilanus, 2019) en uit de praktijk blijkt dat er op deze manier beter onderscheid gemaakt kan worden tussen kinderen die binnen de EED-regeling vallen en kinderen die hier niet in thuis horen. Met die informatie kunnen betrokkenen geënthousiasmeerd worden om op een andere manier naar de zorg te gaan kijken. Daarbij is goede informatieoverdracht belangrijk vanuit de zorginstelling. Dat dit al is uitgevoerd in verschillende regio’s maakt het wellicht makkelijker om ook de stap te zetten. Sterk van belang is om een gedeeld perspectief en gedeelde verantwoordelijkheid te hebben tussen onderwijs, zorg en gemeente.

Verwijzingen en materialen