Signalering en preventie in het voortgezet onderwijs

Waarom is signalering in het vo nog nodig?

Het grootste gedeelte van de leerlingen met dyslexie wordt gesignaleerd in het basisonderwijs. Daar wordt extra ondersteuning geboden voor het verbeteren van de lees- en spellingvaardigheden en worden leerlingen met onvoldoende vooruitgang doorverwezen naar de zorg. Er zijn verschillende redenen waarom er toch leerlingen zijn die nog niet in het basisonderwijs zijn doorverwezen naar de zorg voor diagnostiek en behandeling van dyslexie en die pas in het vo gaan opvallen en worden gesignaleerd.

Een van de redenen kan zijn dat de extra ondersteuning op de basisschool zeer goed werd verzorgd en deze voldoende was voor de leerling en hij of zij daarmee goed kon mee komen in de klas. Ouders en school hebben tot dan toe geen aanleiding gezien om het kind door te laten verwijzen naar extra ondersteuning en behandeling buiten school,  in de zorg. Wanneer deze leerling naar het vo gaat en die ondersteuning op school er niet meer is, kan dat voor problemen zorgen. De overgang naar het voortgezet onderwijs betekent namelijk dat je als leerling veel meer teksten moet lezen en schrijven, vaak ook in een hoger tempo. Dat kan er toe leiden  dat leerlingen die eerder nog hun lees- en/of spellingproblemen konden compenseren, meer moeite beginnen te krijgen om het onderwijsniveau te halen of het tempo bij te houden.

Soms kan co-morbiditeit met bijvoorbeeld ADHD of een andere ontwikkelingsstoornis ook de reden zijn dat een leerling nog niet is doorverwezen naar de zorg of om die reden niet in aanmerking kwam voor vergoede zorg. Er spelen dan andere problemen mee op de voorgrond (bijvoorbeeld concentratieproblemen), die eerst behandeld moeten worden. Pas daarna kan er worden gekeken of een leerling onvoldoende profiteert van het onderwijsaanbod en er dus mogelijk sprake kan zijn van dyslexie. Het kan dus zijn dat een leerling op de basisschool begeleid is om de concentratieproblemen te verminderen, en er pas op het voortgezet onderwijs gekeken kan worden naar mogelijke dyslexie. 

Tot slot kan het nog zo zijn dat de signalering op de basisschool onvoldoende is geweest, of dat de oorzaak van de lees- en spellingproblemen ergens anders werd gezocht. Bijvoorbeeld in het geval waarbij de leerling een andere moedertaal heeft of zwakke cognitieve capaciteiten.

Om de juiste ondersteuning te kunnen bieden is het belangrijk dat ook in het voortgezet onderwijs docenten, mentoren en de zorgspecialist van de school alert zijn op leerlingen met deze problemen. Uitgebreidere informatie hierover is te vinden in hoofdstuk 4 van het Protocol Dyslexie Voortgezet Onderwijs

Signalering in het vo

Er zijn verschillende manieren waarop het voortgezet onderwijs leerlingen met (ernstige) lees- en spellingproblemen kan signaleren. Directies kunnen hier hun eigen keuzes maken met betrekking tot de manier waarop ze dit doen. Signalering kan op de volgende (combinatie van) manieren plaatsvinden:

•    op basis van informatie uit het basisonderwijs, zie Overdracht naar de nieuwe school;
•    op basis van informatie van ouders, zie Ouders en school in gesprek;
•    door observaties van docenten;
•    door afname van signaleringstoetsen in de brugklas.

Observaties van docenten

Docenten zijn na scholing goed in staat signalen van ernstige lees- en spellingproblemen bij leerlingen te herkennen. Die scholing kan de zorgspecialist van de school geven aan de hand van een instrument voor observatie: Signalenlijst lees- en spellingproblemen. De zorgspecialist in de school kan op basis van deze (gedeelde) observaties verdere actie ondernemen (zie paragraaf 4.3 Protocol Dyslexie Voortgezet Onderwijs). Deze manier van signalering heeft als groot voordeel dat er niet alleen informatie over de lees- en spellingproblemen boven tafel komt, maar ook over de belemmeringen die een leerling in de lessen ondervindt. 

Signaleringstoetsen in de brugklas

Signalering in de brugklas kan gebeuren door aan het begin van het schooljaar een signaleringstoets af te nemen. Dit kan bijvoorbeeld met het Signaleringsinstrument Protocol Voortgezet Onderwijs (2005).  Dit instrument bevat een zinnendictee en een stillees-toets. Van het dictee bestaan  varianten voor de verschillende schooltypen. Het signaleringsonderzoek kan eventueel uitgebreid worden met toetsen voor andere vaardigheden zoals begrijpend lezen en begrijpend luisteren (zie voor een uitgebreid overzicht van toetsen voor het voortgezet onderwijs: Toetsen en Interventies bij Dyslexie in het vo (Expertisecentrum Nederlands, 2018).

Een school bepaalt zelf welke score aanleiding is voor verder onderzoek. Aan te raden is om verder onderzoek te doen bij de 10% laagst scorende leerlingen en de overige 25% laagst scorende leerlingen in de gaten te houden. Bij leerlingbesprekingen kunnen deze leerlingen aan bod komen. De toetsen geven niet meer dan een signaal af. Docenten kennen de leerlingen vaak nog onvoldoende. Ze weten niet of een lage score een structureel tekort laat zien in de technische lees- en spellingvaardigheid of dat het een toevallige momentopname is. De zorgspecialist zal dat nog verder moeten uitzoeken (zie Materialen – Signaleren in het voortgezet onderwijs).

Onderzoek na signalering en doorverwijzing

Wanneer lees- en/of spellingproblemen gesignaleerd zijn en een leerling behoort tot de laagste 10% scorende leerlingen, weten docenten en zorgspecialisten dat er iets aan de hand is, maar nog niet wat. Op basis van een signalering kan geen diagnose worden gesteld, maar het levert wel een hulpvraag op. De zorgspecialist kan dan een verdiepend onderzoek doen. In het boek Toetsen en interventies bij dyslexie in het vo (2018) wordt een overzicht gegeven van beschikbare verdiepende toetsen voor technisch lezen en spellen (ook voor de vreemde talen) die door de zorgspecialist kunnen worden afgenomen. Wanneer een leerling ook op deze toetsen laag scoort, kan er een dossier worden aangemaakt, waarin de zorgspecialist de grootte van de achterstand en de mate van de hardnekkigheid van de problemen beschrijft. Zie daarover meer bij Doorverwijzing naar de zorg – doorverwijzing in het voortgezet onderwijs

Preventie van lees- en spellingproblemen

De ontwikkeling van (technisch) lezen en spellen, en de functionele toepassing daarvan, loopt door in het voortgezet onderwijs. Daarom blijft het ook in het voortgezet onderwijs belangrijk om extra aandacht te besteden aan leerlingen die tegen problemen aanlopen in hun taalontwikkeling. Om leerlingen functioneel geletterd de school te laten verlaten, is het belangrijk om het lees- en schrijfonderwijs gedifferentieerd en doelgericht vorm te geven. Lees [Doelgericht en planmatig werken – Voortgezet onderwijs] om meer te weten te komen over de tussendoelen van lees- en schrijfonderwijs en het belang van een doorgaande leerlijn. 

Naast het werken aan de lees- en spellingvaardigheden is het belangrijk om aandacht te besteden aan leesmotivatie en zelfvertrouwen. Door deze twee te versterken is de kans groter dat leerlingen meer blijven lezen en schrijven en op die manier hun vaardigheden blijven onderhouden. Op deze manier kan laaggeletterdheid worden voorkomen (zie ook Tel mee met Taal en Stichting Lezen en Schrijven).