Structurele aanpak van lees- en spellingonderwijs

Met goed onderwijs (ondersteuningsniveau 1) kunnen bij een groot deel van de leerlingen lees- en spellingproblemen worden voorkomen. Kenmerken van goed (voorbereidend) lees- en spellingonderwijs zijn:  

Hieronder worden de eerste drie kenmerken (doelgericht werken, methodisch werken en tijd voor lezen en spellen) toegelicht. De andere kenmerken worden op andere pagina’s verder besproken. 

Doelgericht en planmatig werken

Het uiteindelijke doel van het lees- en spellingonderwijs is het bereiken van functionele geletterdheid, dat wil zeggen dat je kunt lezen en schrijven om kennis en informatie uit teksten te kunnen gebruiken. Het kunnen lezen of schrijven zelf is een technische vaardigheid. Kunnen begrijpen wat je leest of kunnen opschrijven wat je wilt zeggen, is een functionele vaardigheid. Die vaardigheid is van belang om zelfstandig te kunnen functioneren in de maatschappij (zie ook Tel mee met Taal en Stichting Lezen en Schrijven). Om dit niveau stapsgewijs te bereiken stelt de leerkracht doelen vast, waaraan systematisch en gericht gewerkt wordt. Door het stellen van en werken aan hoge en adequate doelen wordt de lees- en spellingontwikkeling optimaal gestimuleerd. De concrete invulling van doelgericht en planmatig werken aan lees- en spellingontwikkeling wordt verder beschreven en toegelicht in de protocollen voor leesproblemen en dyslexie (zie Werken met de protocollen). 

Kerndoelen en referentieniveaus

Voor het Nederlandse onderwijs zijn kaders vastgesteld in de vorm van kerndoelen en referentieniveaus. De kerndoelen geven aan wat op de basisschool onderwezen moet worden. Scholen krijgen hierbij de ruimte om hun onderwijs zelf vorm te geven. De referentieniveaus voor taal beschrijven gewenste beheersingsniveaus en streefniveaus voor mondelinge taalvaardigheid, leesvaardigheid, schrijfvaardigheid en taalverzorging en taalbeschouwing. De beheersingsniveaus zijn vastgelegd voor het eind van het primair onderwijs (1F), eind vmbo (2F), eind mbo-4 en havo (3F) en aan het eind van het vwo (4F). Om mee te doen als burger in onze geletterde maatschappij wordt functionele geletterdheid op beheersingsniveau 2F als noodzakelijk beschouwd.   

Tussendoelen 

Referentieniveaus zijn lange termijndoelen. Om meer inzicht te krijgen in korte termijndoelen kan gebruik worden gemaakt van zogenoemde tussendoelen. Deze beschrijven globaal de ijkpunten in de ontwikkeling van leerlingen op verschillende leerlijnen. Ze geven zicht op welke niveaus in de ontwikkeling worden nagestreefd en hoe voor een doorgaande leerlijn gezorgd kan worden. Een leerlijn geeft overzicht van de vorderingen die leerlingen maken in opeenvolgende leerjaren. Zo wordt duidelijk welke ontwikkeling de leerling al gehad heeft, wat het huidige niveau is en wat de volgende stappen in de ontwikkeling kunnen zijn.

Basisonderwijs

De tussendoelen voor lezen en schrijven zijn door het Expertisecentrum Nederlands uitgewerkt in de Tussendoelen beginnende geletterdheid voor groep 1 tot en met 3 (Verhoeven et al, 1999/2013), het Overzicht tussendoelen beginnende geletterdheid, 1999/2013) en de Tussendoelen gevorderde geletterdheid voor groep 4 tot en met 8 (Aarnoutse, Verhoeven, van het Zandt, & Biemond, 2002). Op www.leerlijnentaal.nl wordt de praktische vertaalslag van de referentieniveaus naar de al langer omschreven leerlijnen en tussendoelen gemaakt. In het Protocol Preventie van Leesproblemen – groep 1 en 2 is specifiek een koppeling gemaakt met de tussendoelen voor het jonge kind (SLO & UvA, 2009).

Voortgezet onderwijs

De ontwikkeling van de geletterdheid is nog niet afgerond wanneer leerlingen naar de middelbare school gaan. Om een doorgaande leerlijn aan te houden is het gedifferentieerd en doelgericht vormgeven van lees- en schrijfonderwijs ook in de onderbouw van het voortgezet onderwijs noodzakelijk. Hiervoor zijn handvatten te vinden in de volgende bronnen: Interactief lees- en schrijfonderwijs. Werken met tussendoelen in de onderbouw van het vo, 2012, www.werkenmettussendoelen.nl en de Tussendoelenscan VO.

Methodische aanpak

Het zou een hele klus zijn als de leerkracht voor alle vakgebieden bij de doelen zelf materialen moet ontwikkelen om ervoor te zorgen dat leerlingen de doelen bereiken. Gelukkig hebben veel methodemakers de doelen uitgewerkt in concrete leerstof. Goede methodes bevatten lesstof met een systematische opbouw in moeilijkheidsgraad, en vaak ook handvatten voor het gebruik van differentiatie- en organisatiemodellen en didactische richtlijnen voor de begeleiding van leerlingen met problemen. Werken met een methode helpt leerkrachten bij het realiseren van een doorgaande leerlijn en bij verdeling van de doelen en lesstof over de jaargroepen. 

Zie voor een uitgebreide toelichting Leesproblemen en dyslexie in het basisonderwijs – Handreiking voor aankomende leerkrachten (2012).

Methode geen garantie voor succes 

De aanschaf van een goede methode alleen is geen garantie voor succes. Het gaat er vooral om de methode goed te gebruiken. Dat betekent: met de doelen in het achterhoofd de methode effectief inzetten. Niet alle methodes geven voldoende didactische handvatten en uitgewerkte instructies. Hier moet de leerkracht, op basis van zijn kennis, invulling aan geven. Het blijft dus, ook als er een methode wordt gebruikt, van belang om te blijven nadenken over de les wordt afgestemd op de leerlingen in een klas. 

Tijd voor lezen en spellen

Basisonderwijs

Het inplannen van voldoende tijd voor lezen en spellen is belangrijk voor een optimale ontwikkeling van de taalvaardigheden van leerlingen. Zie voor richtlijnen voor de tijd die per leerjaar (groep 1 t/m 8) aan (voorbereidende) lees- en taalactiviteiten moet worden besteed Leesproblemen en dyslexie in het basisonderwijs – Handreiking voor aankomende leerkrachten, 2012.

Groep 1-2 

Ook in het onderwijsprogramma voor kleuters moet beginnende geletterdheid een systematische plek krijgen. Op deze manier voorkom je dat activiteiten die gericht zijn op het bevorderen van beginnende geletterdheid slechts incidenteel plaatsvinden. Daarnaast kun je de tijd voor taal intensiveren voor kinderen die problemen laten zien in hun taalontwikkeling of een taalachterstand hebben. 

Groep 3-8

De tijd die wordt besteed aan het lees- en spellingonderwijs is effectieve leertijd, de tijd wordt dus daadwerkelijk gebruikt om te lezen en te spellen. Naast de leeslessen met de methode, worden er momenten gecreëerd waarop de leerlingen zelfstandig lezen. Dit kan op verschillende manieren plaatsvinden: leerlingen lezen hardop of stil, individueel of in kleine groepjes, in de leesles of tijdens andere vakken. Zie voor meer informatie Stimulerende leesomgeving

Ook voor spelling geldt dat er naast de lessen met de methode ook binnen functionele schrijfactiviteiten aandacht moet worden besteed aan spelling, bijvoorbeeld binnen andere vakken. Naast het lezen en spellen voor de hele groep krijgen de zwakke lezers en spellers aanvullend op de groepsactiviteiten extra begeleiding. Zie voor meer informatie Signalering en preventie in het basisonderwijs.

Voortgezet onderwijs

Om de lees- en spellingvaardigheid in het voortgezet onderwijs verder te ontwikkelen en te onderhouden, is het van belang dat hier ook gericht tijd gereserveerd wordt voor lees- en spellingonderwijs. Dit kan structureel worden vastgelegd in het taalbeleidsplan. In het boek Interactief lees- en schrijfonderwijs. Werken met tussendoelen in de onderbouw van het vo, 2012 worden in hoofdstuk 4 suggesties gegeven voor de implementatie in het taalbeleid. In dit boek wordt ook informatie gegeven over wat we weten over de verdere ontwikkeling van technisch lezen en spellen nadat leerlingen uitstromen uit het basisonderwijs.